Johan Melchior Faddegon (1871-1941)

Johan Melchior Faddegon
Johan Melchior Faddegon (1871-1941)
 
. horlogemaker
. medailleur
. tolk Arabisch-Frans
. bibliothecaris
. tijdmeetkundige.
 
Johan Faddegon werd geboren op 31 oktober 1871 in Amsterdam als oudste zoon van de Amsterdamse horlogemaker Barend Abraham Faddegon en Sophia Elisabeth Laugeman op het adres Vijzelstraat 20.
 
geboorte-akte JohanZijn vader, die daar een klokkenzaak had, deed aangifte, waarbij deze zich door twee getuigen liet vergezellen: zijn schoonvader, Johan Melchior Laugeman, tapper in de Looierstraat en zijn zwager, Heinrich Barend Laugeman, slachter.
 
Vijzelstraat 1914In de jaren daarna volgen een zusje Marie (1873), broer Bernard (1874) en in 1875 weer een broertje (Henri). Begin 1877 overlijdt zijn zusje aan een hersenvliesontsteking. Johan is dan ruim 5 jaar oud. Eind van dat jaar krijgt hij weer een zus met de naam Marie. Het in 1879 geboren broertje wordt maar zeven maanden oud. In 1880 volgt broertje Gerard en in 1883 zijn jongste zusje Sophie. Het zal een vol huis geweest zijn, waarin Johan opgroeit. Ook tante Maria Alida, de zus van zijn vader, woont in dit pand, dat in 1882 ook nog eens ingrijpend verbouwd wordt.
De geschiedenis van Johan’s ouderlijk gezin is beschreven op de betreffende pagina van deze website.

Rijksacademie voor Beeldende Kunsten

Rijksacademie voor beeldende KunstenOfschoon Johans vader er van uitging dat alle zoons het horlogemakersvak zouden leren, werd Johan na de 5-jarige HBS op 25 september 1888 ingeschreven aan de Rijksacademie voor beeldende kunsten aan de Stadhouderskade. Gedurende zes jaar volgde hij daar de klassen in tekenen, boetseren en perspectief onder de professoren Frans Stracké en Ferdinand Leenhoff.
 
woonhuis Jan Six Herengracht (Stadsarch.Asd) Ook de lessen in de kunstgeschiedenis door professor Jan Six lijkt hij graag te hebben gevolgd. Met hem zal hij in latere jaren intensief contact blijven houden. De familie Six woont op de Herengracht, bij de familie Faddegon net om de hoek van de Vijzelstraat.
Johans’ ijver werd steeds als (zeer) goed beoordeeld, het oordeel over zijn aanleg varieerde door de jaren heen van “vrij goed” via “betrekkelijk” tot “uitmuntend” in het laatste jaar. Voor zover bekend heeft hij maar één schilderij gemaakt: zijn kleurenblindheid was een grote handicap. Daarom legde hij zich toe op beeldhouwen en speciaal op het maken van medailles.
Biologie was ook een van zijn hobby’s; in de familie was hij bekend als “de torrenprikker”, door de ontelbare torren die hij verzamelde en alle bij naam kende.

Bij de keuring voor de militie in maart 1891 (waar van hem wordt vastgelegd: 1,75m lang; uiterlijke kenmerken: “gewoon”; ronde kin, bruine ogen, bruin haar), geeft hij op vrijgesteld te willen worden wegens “lichaamsgebreken”. Toch wordt hij op 6 mei van dat jaar 1891 ingedeeld in het 7e regiment infanterie. Twee maanden later wordt hij overgeplaatst naar het 2e regiment Vesting Artillerie, waar Johan op 25 sept 1891 tot korporaal wordt bevorderd. Een jaar later gaat hij met groot verlof en in september 1893 komt hij vijf weken op herhaling .
Ondanks deze verplichtingen slaagt hij in augustus 1891 voor het examen M1 (handtekenen en perspectief) voor de tekenakte Middelbaar Onderwijs. Ook blijft Johan ingeschreven aan de Academie.

RijksMunt te Utrecht

1895 - Rijksmunt aan de Neude

Inmiddels was Johan in juni 1893 ook benoemd aan de Rijksmunt te Utrecht als “hulpstempelsnijder”, in eerste instantie voor een periode van zeven maanden. Het Nationaal Archief is in het bezit van het volledige personeelsdossier, dat grotendeels bestaat uit correspondentie tussen het Muntcollege en de Minister van Financiën. Zo blijkt de Minister alleen accoord te gaan met Johan’s benoeming, als daarnaast het volgen van lessen aan de Academie mogelijk blijft. Ook wil de Minister tegen het eind van de zeven maanden enige “proeven van het werk” zien en dient hij te worden klaargestoomd voor een studie in het buitenland.
Aan het eind van deze periode schrijft het Muntcollege aan de Minister: “Faddegon heeft bij de vervulling van zijn betrekking blijken van talent, ijver en toewijding gegeven, maar nog niet voldoende hem al naar het buitenland te sturen”. De Minister gaat accoord met verlenging van de aanstelling tot 1 mei 1894.

1894 tekening goden - Sixcollectie

In 1894 rondt Johan zijn studie aan de Academie met gunstig resultaat af. Van de werkstukken die hij op de Academie maakte, zijn een paar tekeningen bewaard gebleven bij de Six-collectie in Amsterdam. Eén ervan stelt een reconstructie voor van de Middengroep van de Oostelijke gevel van het Parthenon. Deze tekening wordt door Prof.Six gebruikt voor een artikel en een lezing voor het Duitse Archeologisch Instituut.

 

1894 Muntproef J.P.M.MengerBij de Rijksmunt voltooit Johan zijn Muntproef, een éénzijdige penningplaat van J.P.M. Menger, zijn collega en leermeester.
De minister ontvangt, conform diens eerdere verzoek, een aantal kunstvoorwerpen die Johan in de afgelopen periode maakte. Van de in het overzicht vermelde werken lijkt alleen het portret van Menger bewaard gebleven.

Het Muntcollege meldt de Minister: “Zeer ingenomen met aanleg en vorderingen. Is rijp voor een hoognodige opleiding in het buitenland.” Hierover wordt contact opgenomen met Paulin Tasset, médailleur in Parijs. Deze stelt als voorwaarde, dat Johan ook cursus gaat volgen aan de École des Beaux Arts bij de beeldhouwer G.J. Thomas.

Studie in Parijs

Alphonse de StuersPer Koninklijk Besluit van 7 september 1894 wordt Johan met studieverlof gezonden naar Parijs. Hij dient zich te vervoegen bij de Gezant, de Heer Ridder de Stuers. Het Muntcollege rapporteert: “Van de Heer Ridder de Stuers, Harer Majesteits Gezant te Parijs, ontvingen wij de meest bevredigende berichten omtrent den Heer Faddegon. Hij had ook op den Heer de Stuers (…..) een zeer goeden indruk gemaakt en was niet alleen overdag werkzaam op de École des Beaux-Arts en bij den Heer Tasset, maar oefende zich ook nog s’avonds op eene particuliere teekenschool.”

Atelier Thomas Acad.Beaux ArtsDe rapportage aan de Minister van een jaar later klinkt echter wat minder enthousiast. Hoewel hij zich “met ijver en toewijzing op zijn vak heeft toegelegd“, heeft het college nog maar een deel van zijn werken ontvangen. Zijn leermeesters achten tenminste één jaar verlenging van zijn lessen nodig. Pas daarna kan beslist worden, of hij “aan de gekoesterde verwachtingen ten volle zal beantwoord hebben“.
De Minister gaat accoord, maar wil binnen een half jaar, dus uiterlijk mei 1896, weer bericht ontvangen. Resultaten blijven echter uit, getuige een citaat uit een brief van het Muntcollege: “Wij zijn in het bezit gekomen van den door U aan ons toegezonden stempel met de beeltenis van Madame Fabre. Alvoorens dien aan ZExc:, den Minister van Financiën te doen toekomen, verzoeken wij ons per keerende post mede te delen of wij tegen het einde dezer maand nog andere proeven van graveerwerk, enz. van U kunnen tegemoet zien. In verband met hetgeen van onze zijde bij herhaling aan U geschreven is, zouden wij het zeer betreuren, indien wij in slechts deze proeve van Uw werk, welke ons weinig bevredigend voorkomt, aan den Minister konden aanbieden”.
Wellicht heeft Johan, naast zijn studie, in Parijs te veel andere zaken die zijn aandacht vragen. Hij woont Boulevard Mont-Parnasse 81, in die tijd waarschijnlijk een atelier-woning voor meerdere kunstenaars. En in deze periode verblijven er velen in dit deel van Parijs, op zoek naar inspiratie. Bovendien heeft Johan een meisje leren kennen, Jeanne Souêtre.

Jeanne is 20 jaar oud,  “dessinatrice” en woont bij haar ouders, Olivier Marie Souêtre en Adélaïde Elisabeth Giraud, in de Rue Pascal 2. Interessant détail: haar ouders zijn pas op 14 mei 1895 in het huwelijk getreden. Volgens familie-overlevering was de reden daarvan, dat Olivier priester was geweest; Jeanne herinnerde zich nog vaag dat haar grootmoeder altijd zat te bidden vanwege de misstap van haar zoon. Olivier was geboren in Bretagne, waar zijn vader molenaar was. Hij zou in 1871 actief zijn in de Parijse Commune en bekend worden als schrijver, poète en chansonnier van revolutionaire en van Bretonse liederen. Jeanne’s moeder Adélaïde was een weeskind, geboren in Vaugirard (nu deel van Parijs) en werd opgevoed door een oom en tante. Zij verdiende de kost als “wasvrouw”.

Ondanks alle afleidingen brengt de brief van het Muntcollege Johan wel in actie. Hij schrijft dat er oponthoud was, dat hij een verwonding aan zijn vinger had en uiteindelijk stuurt hij toch nog enig werk op. Het is echter te laat.

Eind mei stuurt het college het volgende advies aan de Minister:
De hulpstempelsnijder Faddegon moge den tijd, dien hij te Parijs doorbracht, voor zijne algemeene ontwikkeling als kunstenaar nuttig besteed hebben, het komt ons voor dat de toegezonden proeven van zijn vooruitgang in het graveeren weinig blijk geven. Ook het gevoelen van één zijnder leermeesters, den Heer Paulin Tasset komt daarmede overeen. ( …. ) dat Faddegon nog geruimen tijd (ten minste drie jaren) aan zijne inrichting zoude moeten doorbrengen, alvoorens met enig goed gevolg als muntgraveur te kunnen optreden. In deze omstandigheden (….) naar ’s Rijks Munt te doen terugkeeren, ten einde aldaar opnieuw werkzaam gesteld te worden. Na eenigen tijd zal dan met zekerheid kunnen verklaard worden in hoeverre het behoud van Faddegon aan ’s Rijks Munt moet opprijsgesteld worden.

De Minister besluit inderdaad Johan terug te roepen; hiervan wordt hij op 2 juni in kennis gesteld, waarbij hem wordt verzocht zich “overeenkomstig des Minister’s verlangen te gedragen.
Hij antwoordt nog met een brief waarin hij zijn bezwaren oppert, maar er blijft hem niets anders over dan naar Utrecht af te reizen en zijn werk aan de Munt voort te zetten.

Terug in Utrecht

La Petite République

Johan betrekt een woning in Utrecht aan de Leidscheweg 74.
Op 29 september 1896 trouwen Johan en Jeanne in Parijs, 6e arrondissement. De ouders van Jeanne zijn bij de plechtigheid aanwezig, Johan’s ouders hebben schriftelijk hun toestemming gegeven. De socialistische vrienden van de vader van de bruid verzorgen een mooi bericht in hun dagblad. Na het huwelijk komt ook Jeanne naar Utrecht.

Johan pakt zijn werkzaamheden bij de Utrechtse Munt weer op.1897 lezing Kunstliefde
In januari wordt Johan lid van het Schilder- en tekenkundig genootschap “Kunstliefde” te Utrecht, evenals Jeanne. Van “De Teekenclub” van dit genootschap wordt hij vervolgens ook voorzitter. In Café “De Vriendschap” in de Keistraat werden tekenoefeningen georganiseerd, naar levend model. Op 11 december 1897 houdt Johan voor dit genootschap een lezing met de titel: “Over munten, hunne beteekenis als kunstwerken in verband met hunne materieele eischen en hunne technische vervaardiging.” De convocatie van deze bijeenkomst is een ontwerp van Johan.

Leidscheweg UtrechtIn datzelfde jaar komt ook Jeanne’s moeder, Adélaïde-Elisabeth Giraud, naar Nederland. Haar man, Olivier Souêtre, is eind 1896 overleden, kort na het huwelijk van zijn dochter. Adélaïde (waarschijnlijk wordt zij Alida of Adèle genoemd) trekt in bij haar dochter en schoonzoon, die een (iets ruimere) woning op Leidscheweg 64 betrekken.

Uit deze korte periode in Utrecht zijn meerdere werken van Johan bekend en bewaard gebleven. Eind 1896 maakt hij een penningportret van Alida de Bouter, dochter van een collega aan de Munt; uit 1898 dateren een tweezijdige penning van het Taalfonds voor de Zuid-Afrikaanse Republiek, en plaquettes van de Utrechtse Hoogleraar Oudemans en van Ruysch van Dugteren, de provoost van de muntgezellen. Hoe deze werken destijds zijn ontvangen is niet bekend, maar in recenties uit latere jaren worden ze lovend besproken. Voor details, ook van alle werken die hierna de revue passeren: zie de catalogus .

ontwerp inhuldigingspenningIn 1898 werkt Johan ook aan een penning ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina. Hiervan is alleen een poinçoen bekend; waarschijnlijk is de penning zelf nooit gemaakt.

Op 3 maart 1899 ontvangt Johan een briefje van het Muntcollege met de mededeling, dat de Minister de functie van tijdelijk hulpstempelsnijder heeft opgeheven en op 28 maart wordt hem meegedeeld, dat hij eervol ontslag krijgt per 1 juli. Hij krijgt de door hem vervaardigde stempels terug. Twee weken later dient Johan een verzoek in hem tot de ingang van het ontslag verlof te verlenen, daar hij vóór 1 mei zijn woning moet verlaten en zich in Parijs wil vestigen. Dit verlof wordt hem verleend, ook al omdat “wij voor de Munt niet veel meer van hem kunnen verwachten”. Op 26 april verhuist Johan met zijn vrouw en zijn schoonmoeder naar Parijs. De snelheid waarmee dit alles zich voltrekt, zou kunnen betekenen dat een en ander reeds langer was voorzien.

Volgens een familie-anecdote zou Johan aan de Rijksmunt opdracht hebben gekregen tot het maken van een beeltenis voor een nieuwe gulden naar een portret van H.M. de Koningin. Hij wilde deze opdracht alleen accepteren als de Koningin zelf voor hem wilde poseren. Daar dit niet toegestaan werd, zou hij het opzettelijk verkeerd hebben gedaan en om die reden zijn ontslagen.

Er moest in die tijd inderdaad een nieuwe serie munten komen met de beeltenis van de koningin en daarover is het nodige te doen geweest. En over Wilhelmina is bekend, dat zij weinig bereid was tot poseren.
Welke rol Johan hierin heeft gehad, is niet bekend. Wel zou er sprake zijn geweest van een conflict met een van zijn meerderen, zo valt af te leiden uit enkele opmerkingen in brieven aan prof.Jan Six, een paar jaar later.

Montrouge

Avenue de la République - MontrougeDe volgende 25 jaar woont Johan in Montrouge, een voorstad aan de zuidkant van Parijs, tot eind 1902 in “1. Villa de Franc-Parleur”, een kleine doodlopende zijstraat langs de begraafplaats.
Daarna is meer dan 20 jaar lang het adres “57. Avenue de la République, Montrouge (Seine)”.

 

Maar Johan houdt de band met Nederland wel aan: nog in september is werk van hem te zien in het Stedelijk Museum, op de “Tentoonstelling van Kunstwerken van levende meesters te Amsterdam”, evenals een jaar later op de tentoonstelling van het Koninklijk Penningkabinet. In 1901 wordt hij, op voordracht van de penningkundigen Zwierzina en Stephanik, benoemd tot buitenlandsch lid van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde. En begin 1902 krijgt hij van de “Ned.-Belgische Vereeniging van de vrienden der medaille als kunstwerk” de opdracht een gedenkpenning te maken op de driehonderdjarige vestiging van het Nederlands gezag in Indië.

Prof.dr.jhr. Jan Six

prof.Jan Six in 1902 (door Jan Veth)Prof.Jan Six is voorzitter van deze vereniging en is contactpersoon bij de realisatie van de Indië-penning.
De Six-collectie te Amsterdam is in het bezit van een pakket brieven die Johan aan hem schreef. Daaruit blijkt, dat Six gedurende een tiental jaren een belangrijke opdrachtgever, raadgever en bemiddelaar is geweest voor Johan’s werk als penningkunstenaar.

Catharina Isabella SixIn het jaar 1902 werkt Johan aan een groot aantal penningen en penningportetten. In opdracht van Jan Six maakt hij een portret van diens dochtertje Catharina Isabella. Dit ter gelegenheid van zijn 12,5 jarig huwelijksfeest. Het Amsterdams patriciaat is Johan blijkbaar niet onbekend, want ook voor de familie Labouchère maakt hij een portret.

Wilhelmina-penning 1902Maar ook het afbeelden van de Koningin blijkt hem nog steeds te boeien. Een penningportret van de Koningin, voorzien van een Maleis randschrift, wordt via de zaak van zijn broers in de Vijzelstraat verkocht voor 20 gulden per stuk. Deze penning wordt in 1903, samen met het portret van Catharina Isabella, in het Stedelijk Museum geëxposeerd op de “Tentoonstelling van levende meesters te Amsterdam” van dat jaar.

Louis LagasseHet Nieuws van de Dag maakt in juni 1902 enthousiast melding van landgenoten, die op de Salon de Societé Nationale des Beaux Arts in Parijs exposeren. Van Johan Faddegon is er een kader met vijf goed uitgevoerde portretten, waaronder die van de Koningin en van de heeren T.Revillont, Ruijsch van Dugteren, L.Lagasse en Oudemans. Van de afbeelding van de genoemde heer Revillont is helaas nog geen spoor teruggevonden. Louis Lagasse was een Frans jurist en politicus. Johan begint kennelijk ook in Frankrijk een markt te vinden voor zijn portretten. Uit de correspondentie met prof.Six blijkt dat hij zelfs aangeboden werk heeft afgeslagen uit tijdgebrek.

Indië-penning 1902Over de Indië-penning voert Johan uitgebreid schriftelijk overleg met Six: over de keuze van de fabrikant, het formaat, de op de penning te realiseren composities, de teksten, het lettertype. Ook deze komt in 1902 gereed. Johan zou dit zelf zijn mooiste werk hebben gevonden. Wellicht heeft hij er ook een statement mee willen maken: Op de voorzijde staat de Nederlands leeuw met zijn voorpoten op een brok van een tempel, waarin het “geknechte volk van Indië” zou zijn afgebeeld.

 

Friese Maatsch.v. landbouwIn hetzelfde jaar maakt hij voor de Friesche Maatschappij voor Landbouw en Veeteelt een serie prijspenningen. In een brief aan Six vraagt hij of deze “een exemplaar van de variëteit van graan, die in Friesland gekweekt wordt, machtig kan worden, daar die kweeksels zeer uiteenlopen en ik hier zeker niets geschikts zou vinden“. Zelf heeft hij waarschijnlijk wel een geschikte afbeelding van een koe, maar anders vindt hij “misschien in de buurt nog wel ergens koeien op stal“.

 

Tijdschrift voor HorlogemakersOok vraagt hij Six om advies over de schrijfwijze van Arabische namen op astrolabia. Johan is begonnen deze te bestuderen, met als doel een bespreking te maken voor het “Tijdschrift voor Horlogemakers”.

astrolabium Oronce Fine

In 1903 zijn zijn broers Gerard Herman en Henri Christiaan begonnen met de uitgifte van dit tweewekelijks periodiek. Hoofdzakelijk werd dit het werk van Henri, met het doel zijn studie over de rader-ingrijping gepubliceerd te krijgen. Ook Johan verleent vanuit Parijs zijn medewerking met diverse studies. De belangrijkste hiervan is de studie over het Planetarium van Oronce Fine in de Bibliothèque Sainte Geneviève te Parijs. Deze studie is later ook in een Frans horlogemakerstijdschrift verschenen. Ook de tekeningen zijn van de hand van Johan, waaarbij zijn vrouw Jeanne als model fungeert. En voor het “Tijdschrift voor Horlogemakers”, dat twee jaargangen zal verschijnen, tekent hij een fraaie omslag.

Kennelijk is Johan wel op zoek naar ander of aanvullend werk. Via prof.Six zou hij attent zijn gemaakt op de mogelijkheid te solliciteren naar een functie op de Kunstnijverheidsschool. Hij lijkt daar niet veel zin in te hebben. Bovendien zouden er stukken bij verschillende Ministeries aanwezig zijn over een conflict dat hij zou hebben gehad. Volgens Johan betrof het een persoonlijk geschil met een enkele functionaris, maar hij is bang dat dit een eigen leven is gaan leiden. Hoewel hij het in zijn brieven aan Six meerdere keren aanhaalt, komen we helaas niet meer te weten waar het conflict over ging.
Overigens trekt het onderwijs hem niet erg. En als hij bij een industriële school in Parijs zou willen werken, moet hij eerst naturaliseren. Dat zou dan weer tot gevolg hebben, dat hij “militieplichtig zou zijn en in het Fransche leger slechts soldaat zou zijn, hetgeen mij weinig aanstaat“. Hij is van plan een paar officieren die hij kent daarover om raad te vragen.
Begin 1904 schrijft Johan, dat hij een aanbeveling heeft gekregen met zijn vrouw als tekenaar en preparateur op expeditie naar Indo-China te gaan. “Verschillende Fransche geleerden steunen dat“. Hier horen we echter verder niets meer over.

Ook in dit jaar exposeert Johan weer op de beroemde “Salon Société Nationale des Beaux-Arts”, weer met een kader van vijf portretten. Van de meeste daarvan is tot op heden helaas geen spoor meer gevonden.
Daarnaast is hij met wat juwelierswerk bezig. Waarschijnlijk is dit maar bescheiden van omvang: er zijn alleen vermeldingen gevonden van een suikertang en een heft van een vouwbeen. Veel plezier beleeft hij er kennelijk ook niet aan: “Ik werk nu aan een sieraad voor een dame die elk ogenblik wat anders wil. Dat geeft ook financiële problemen.”

portret Sophie FaddegonDe directeur van het Parijse Musée du Luxembourg, dat ook af en toe werk van Johan exposeert, geeft hem de raad, zich vooral te richten op het maken en exposeren van unieke portretten, iets waar hij veel zin in heeft. portret Henri Christiaan Faddegon

Van dhr. Von Hemert maakt hij een portret in galvanoplastie, zijn jongste zus Sophie wordt door hem vastgelegd terwijl zij de cello bespeelt en van zijn broer Henri vervaardigt hij een fraaie afbeelding op een enkelzijdige penning.

pagina uit aantekeningen cursus Copte et hiératiqueIn 1905 publiceert Johan een artikel over schelpmunten “Les Cauris” in het “Tijdschrift voor Munt- en Penningkunde”. Daaruit blijkt ook, dat hij zich inmiddels niet alleen verder heeft verdiept in antieke geschiedenis, maar ook oud schrift bestudeert.
Bij de Egyptoloog M.Revillout volgt hij cursussen aan de École du Louvre in “Copte et hiératique, philologie en démotique“. Een schrift met aantekeningen van deze cursussen bevindt zich in het familie-archief.

Rembrandt-penning

In februari 1905 jaar krijgt Johan de opdracht, een penning te ontwerpen ter gelegenheid van de 300e geboortedag van Rembrandt. Hoewel hij schrijft daar zo snel mogelijk mee te willen beginnen, stuurt hij pas eind van het jaar de eerste afgietsels naar prof.Six. Hij is “zes weken ziek geweest, is uiterst vermoeid en kan nimmer ‘s middags eten”. En er is nog druk door andere werkzaamheden.
Zo bleken er fouten in zijn trouwacte te staan, en hij heeft een vonnis moeten aanvragen deze te verbeteren.

Hij is ook ingegaan op een aanbod van de “Union Centrale des Arts Décoratifs” om voor hen een inventaris van de bibliotheek te maken. Dat blijkt heel veel werk en het moet voor het eind van het jaar klaar zijn. Maar, zo schrijft hij, “ik hoop mij vanaf januari volledig op de penning te richten”.

Er volgt druk overleg wie uiteindelijk de penning zal fabriceren. De firma Gerritsen uit Zeist profileert zich door bij haar aanbod te vermelden dat zij vindt, dat een dergelijke grote order aan een Nederlands bedrijf moet worden gegeven. Johan heeft enkele bezwaren over de samenwerking met Gerritsen, maar schrijft ook nog eens over zijn verhouding tot de Munt en de daar werkzame personen, waar hij liever niet mee wil samenwerken.Rembrandt-medaille voorzijde Uiteindelijk krijgt Gerritsen de opdracht, zij het dat Johan voor een aantal werkzaamheden tevens een beroep doet op Christofle in Parijs. Voor het retoucheerwerk komt hij een paar keer vaker dan gebruikelijk naar Nederland.

Nieuws van de Dag 2 juli 1906Op 2 juli 1906 meldt “Het Nieuws van de Dag”, dat de Rembrandt-penning gereed is. En “Het Vaderland” wijdt er een lovende bespreking aan. De zilveren exemplaren zijn uitsluitend voor de leden van het Rembrandt-comité, de bronzen en de loden exemplaren komen in een grote oplage als ‘strooipenningen’ beschikbaar. Tevens wordt de afbeelding op de voorzijde gebruikt voor een klein formaat penning, uitgevoerd als hanger.

Het zal Johans bekendste en meest verspreide penning worden.

Genaturaliseerd tot Fransman

Op 18 augustus 1906 wordt Johan genaturaliseerd tot Fransman. Daardoor moest hij wel in het Franse leger. Op 1 oktober 1907 wordt hij reserve-soldaat 2e klas in het 102e Régiment Infanterie, maar hij wordt niet opgeroepen tot actieve dienst omdat hij de leeftijd van 27 jaar reeds heeft bereikt.

prof.Pekelharing keerzijde prof.Pekelharing voorrzijdeVia Jan Six neemt dhr. P.L.Tak contact met hem op. Tak is lid van een commissie die een huldeblijk wil brengen aan prof.Pekelharing, bij diens afscheid als hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Delft. Johan ontwerpt hiertoe een tweezijdige penning, met op de keerzijde een fraai uitzicht op de stad Delft. Een exemplaar van de penning zal in een marmeren plaat worden gevat, die in de senaatszaal wordt geplaatst.

In een uitgebreid dankwoord van Pekelharing, dat in mei 1908 in “de Ingenieur” verschijnt, kijkt deze met genoegen terug op zijn ontmoetingen met Johan: “… verklaarde me vereerd en bereid te zijn, met een beeldend artiest samenkomsten te houden. Spoedig begon de reeks van ontmoetingen met onzen gewezen, thans te Parijs gevestigden landgenoot, den heer J.M.Faddegon. Van oordeel dat ik beter deed onder het “zitten” niet te lezen, opende de artiest een gesprek, dat wij na den arbeid plachten voort te zetten. Aan dit herhaaldelijk samenzijn heb ik aangename herinneringen bewaard. Want de heer Faddegon bleek zich te kenmerken door een zeldzame verscheidenheid van de objecten zijner studie, waarover hij me placht te onderhouden.”

In deze periode is Johan behalve als beeldhouwer en medailleur (hij maakt een portret van een kennis die senator is geworden en een buste van Berthoud, een Zwitserse horlogemaker) nu ook bezig met het op orde brengen van diverse catalogi en dictionaires voor de “Bibliothèque des Arts Décoratifs”. Daarnaast is hij lid geworden van de “Société Astronomique de France”.

Rapport StudiereisOok het aangename wordt met het nuttige verenigd: in de zomer van 1910 maken Johan en Jeanne een reis van twee maanden door de Ardennen, de Eifel en in Nederland naar Amsterdam en Texel. Jeanne kreeg, als herboriste, daarvoor een toelage van de gemeente Parijs. In het verslag van deze Studiereis wordt uitgebreid melding gedaan van de aangetroffen planten. In het voorwoord wordt nog vermeld, dat ook Burgsteinfurt in Westfalen tot de plannen behoorde, maar helaas niet kon doorgaan. Daar had Johan ongetwijfeld de familie van zijn moeder willen bezoeken.

B.A.Faddegon en S.E.LaugemanDe meest productieve jaren van Johan als medailleur lijken nu echter wel voorbij. Van zijn schoonzus Chris Faddegon-Carels maakt hij in 1909 een bronzen portret. En als zijn jongste zus Sophie in de zomer van dat jaar overlijdt, tekent hij haar op haar sterfbed. Drie jaar later overlijdt zijn vader. Ook hij wordt getekend op zijn sterfbed.
Als nagedachtenis aan zijn ouders ontwerpt hij een penningplaquette met hun beider portretten.

 

Het Franse leger

le jeune soldatJohan’s laatst bekende penning, ter ere van de jonge soldaat: “Pour la Patrie, Pour la République” lijkt een voorbereiding op een nieuwe fase in zijn leven.

Begin 1911 wordt Johan benoemd tot reserve-tolk bij de Geografische dienst van het leger (20e section de Secret d’État-Major), waar hij gedurende 20 dagen een stage loopt.
In de periode 1912-1914 is hij als instructeur en daarna als directeur verbonden aan de Topografische Opleiding voor de “Société Sambre et Meuse” in opdracht van de “Société de Topographie de France”.

Hij dient nog enkele stages te vervullen bij verschillende legeronderdelen, maar op 2 augustus 1914 wordt het Franse leger gemobiliseerd. Johan doet dienst als tolk officier 3e klasse van de 9e cavalerie-divisie in de oorlog tegen Duitsland.
Volgens familie-overlevering was hij zodoende aanwezig bij besprekingen van hoge officieren en wist hij hierdoor onder andere dat de kans groot was, dat Parijs in 1914 gebombardeerd zou worden. Daarom stuurde hij zijn vrouw Jeanne naar een klein dorpje ver buiten de stad.

In 1915 komt Johan bij de “Groupe des Canevas de Tir” van het 6e leger, waar hij in 1916 wordt bevorderd tot officier interprète 2e classe. Dit legeronderdeel houdt zich bezig met zeer nauwkeurige topografische kaarten, waarop legeronderdelen, bevoorraading en berekening aan het geschut worden ingepland. Johan verzorgt ook een vertaling van Duitse logboeken: “Carnets de route allemands traduits“.

Op 4 okt 1918 wordt hij op zijn verzoek als tolk ter beschikking gesteld aan de Generale Staf van het Franse detachement van Palestina-Syrië. Tot 1 maart 1919 doet hij dienst in de oorlog tegen Turkije, waarna hij te Beyrouth onbeperkt verlof krijgt. Op 25 maart wordt hij daar gedemobiliseerd.
Het zal vooral in deze periode zijn geweest, dat Johan zijn kennis van de arabische taal kon inzetten.

graf NunspeetOf en in welke mate er in de oorlogsjaren contact met Nederland mogelijk was, is niet duidelijk; er zijn uit deze periode geen brieven bekend. Na terugkomst uit Syrië vindt Johan een telegram waarin het overlijden van zijn zus Marie wordt gemeld: “Marie morte mardi”. Marie, directrice van de “Vakschool voor Verantwoorde Vrouwen- en kinderkleding”, was al enige tijd ziek. Voor het graf in Nunspeet, waar ook hun jongste zus Sophie en hun vader begraven zijn, maakt Johan een plaquette.

sloop VijzelstraatTwee jaar later kijkt Johan, in een brief waarin hij zijn oude leermeester prof.Six feliciteert met diens 25-jarig hoogleraarschap, uitgebreid terug op een bezoek dat hij voor het eerst sinds lange tijd weer aan Amsterdam had gebracht, net na de oorlog. De aanblik van de inmiddels gesloopte huizen aan de kop van de Vijzelstraat roept beelden bij hem op van de verwoestingen die hij in de oorlog in Syrië heeft gezien. Ook het huis van de familie Six is, tot Johans verdriet, gesloopt. In de brief haalt Johan vele herinneringen op die hij aan de lessen van prof.Six heeft. Uit zijn ontboezemingen blijkt ook, dat zijn leertijd bij de Munt en in Parijs hem zwaar is gevallen: “Maar in Parijs hebben Uw lessen mij het meest ontbroken – want bij die toen in Holland opgehemelde menschen heb ik niet veel te leeren gevonden…”. Een transcriptie van de brief kan met deze link worden ingezien.

Bibliothecaris

Bibliothèque Arts DécoratifsVanaf 1919 is Johan “Bibliothécaire” aan de “Union Centrale des Arts Décoratifs” in het Palais du Louvre te Paris. Bij een bezoek aan deze bibliotheek in 1994 werden in de catalogus inschrijvingen in Johan’s handschrift teruggevonden van 2 juli 1919 tot 19 juli 1939.
In het vervolg op de werkzaamheden die Johan ook voor de oorlog al voor deze bibliotheek verrichtte, heeft het nu dus tot een vaste aanstelling geleid.
Hij blijft daarnaast ook actief voor de Geografische dienst van het leger. Hier werkt hij mee aan het vertalen van Nederlandse documenten en aan een “dictionnaire géographique” van Syrië.

In Nederland verschijnt werk van Johan op een tweetal tentoonstellingen van de “Vereeniging Sint Lucas” in het Stedelijk Museum: voorjaar 1921 met het portret van zijn ouders, en najaar 1921 een “Portret van den Kapitein François Damas“. Van dit laatste werk ontbreekt helaas elk spoor.
Waarschijnlijk heeft hij hierna niet meer aan exposities deelgenomen. Behalve enkele tekeningen in een omvangrijk boekwerk over het vissen op forel: “La Truite” en een paar tekeningen voor de directe familie zijn er ook geen latere werken meer van hem aangetroffen.

Op 24 maart 1922 ontvangt Johan een telegram uit Nederland met de tekst: “Viens immediatement condition de maman sans espoir indiquer jour d’arrivée”. Nog diezelfde dag zal zijn moeder overlijden. Zij zou hebben gezegd, dat ze haar na haar sterven zo moesten laten liggen, omdat haar zoon uit Frankrijk kwam om haar te tekenen. Hoewel zo’n tekening tot op heden niet is teruggevonden, heeft Johan deze waarschijnlijk wel gemaakt. In een latere brief aan zijn broer Bernard schrijft hij: “van moe op haar sterfbed maak ik een etsje”. Op 28 maart wordt zij in Nunspeet begraven.

In 1922 houdt Johan voor de “Chambre des Horlogers de France” een lezing: “Tracé de Cadrans Solaires“. In de jaren daarna volgen meer lezingen over uiteenlopende onderwerpen. Hij is een regelmatig spreker op de bijeenkomsten van de “Société Asiatique”, waar hij sinds 1921 actief lid van is. Ook publiceert hij in het “Journal Asiatique”. De onderwerpen hebben betrekking op tijdmeetkunde en astronomie, maar ook “de Koran en moderne kosmografie“, “Arabische en Griekse cijfers” en “de uitspraak van het Egyptisch” passeren de revue.
Vanaf 1925 werkt hij aan een Frans-Arabische dictionnaire. In dat jaar wordt daarvan een uittreksel uitgegeven.
Een overzicht van alle gevonden publicaties en lezingen staat in een afzonderlijk document, in te zien met deze link.

Bourg la Reine

Vanaf deze periode zijn er brieven bewaard gebleven die Johan schreef aan zijn broer Bernard. Deze was inmiddels hoogleraar Sanskriet en Algemene Taalwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en werd in 1926 voor een jaar uitgenodigd als gasthoogleraar in Harvard. Voor Johan een reden hem daarmee schriftelijk te feliciteren en hem meteen ook in te lichten over zijn privé-omstandigheden. Tekening huis Bourg-la-ReineNaast gemopper over bezuinigingen in onderwijs en cultuur beschrijft hij de vorderingen bij het bouwen van zijn eigen huis. Jeanne en Johan hebben een stukje grond gekocht in Bourg-la-Reine, 9 Rue Georges-la-Fenestre, net ten zuiden van Parijs. Hierop wordt door hen een huis gebouwd naar geheel eigen ontwerp. Er zijn moeilijkheden met de beschikbaarheid van de juiste materialen en geschikte werklieden, maar eind 1926 wordt het huis betrokken. En tot vreugde van Jeanne is er een tuin, waarin zij haar zeldzame planten verzamelt.

Ze zullen nog jaren met de verdere afwerking bezig blijven. Zowel binnen als buiten wordt het huis versierd met fraai smeedwerk. Arabische spreuken sieren de gevel, de deur en de wanden. Uit een brief aan Bernard van drie jaar later: “het huis schiet op, op de buitentrap komt een stuk van een vers van den Koran dat op “trappen” betrekking heeft”.
In dit PDF-bestand staan de afbeeldingen van de spreuken in en op het huis. Het schrift dat Johan het meest gebruikte blijkt het “Koefisch” te zijn. Helaas is het nog niet gelukt dit te ontcijferen.

Johan begint zich ook voor de geschiedenis van de familie Faddegon te interesseren. Met hulp van Bernard, die regelmatig een brief ontvangt met het verzoek in Nederland verdere détails uit te zoeken, stelt hij een familie-stamboom samen. Zijn aantekeningen hierover zijn in het familie-archief aanwezig.
Diocese de LavaurOmdat hij vermoedt, dat de Faddegons afstammen van naar Nederland gevluchte Hugenoten, doet Johan in Frankrijk verder onderzoek. Hij zou, zo ging het verhaal in de familie, aanwijzingen hebben gehad dat er een kasteel of landgoed was dat ooit familie-bezit was geweest. Het zou hem door de Franse autoriteiten verboden zijn met dit onderzoek door te gaan, op straffe van verbanning uit Frankrijk. Hoewel dit een door de jaren heen opgeklopt en verfraaid verhaal lijkt, is tussen de genealogie-notities van Johan wel een kaart aangetroffen van een gebied ten oosten van Toulouse. Daar staan inderdaad veel kastelen op…

Het lijkt aannemelijk dat Johan minder vaak dan voorheen naar Nederland overkomt dan voor de oorlogsjaren. Zijn vaste betrekking bij de Union Centrale des Arts Décoratifs en zijn verplichtingen voor het Franse leger zullen hem meer gebonden hebben. En hij maakt, voor zover bekend, geen nieuwe penningen meer. De meeste contacten had hij daarvoor destijds in Nederland. Zijn belangrijkste protégé, Jan Six, is overleden, evenals zijn ouders; de zaak in de Vijzelstraat is er niet meer en zijn broers hebben hun eigen besognes en gezinnen.
En als hij een keer naar Nederland kwam, zo herinnerde een van zijn neven zich, “lag oom Johan vaak met een of andere kwaal in bed en mocht hij niet gestoord worden“.

De enige concrete aanwijzing van een bezoek aan Nederland is een tekening van zijn broer Henri op het sterfbed. Deze overlijdt op 4 oktober 1930 op 54-jarige leeftijd. De tekening die Johan van hem maakt, wordt via het horlogemakerstijdschrift “Christiaan Huygens” onder de vakgenoten verspreid.

Johan, Marie, Jeanne, moeder van JeanneHet laatst aangetroffen werk van Johan is de plaquette die het graf van zijn schoonmoeder Adèle siert. Jeannes moeder heeft gedurende 35 jaar bij hen in huis gewoond. Op de enige foto die tot nu toe van hen is gevonden, staan Johan, Johan’s zus Marie en Jeanne samen met Adèle.

plaquette op graf in Nozay Adèle overlijdt op 19 juli 1932, Zij wordt begraven in Nozay, een klein dorpje ten zuiden van Parijs. Op de plaquette plaatst Johan, naast de overledene op haar sterfbed, een klein portret van haar in 1896 overleden man, Olivier Souêtre.

 

Formidable oeuvre d’érudition

Uit alles blijkt, dat Johan op vele wetenschappelijke terreinen een goede naam heeft opgebouwd, waarschijnlijk ook doordat zijn inbreng vaak praktische toepassing vindt.

Zo correspondeert hij met de Turkse ambassade over het nieuwe Turkse alfabet, is hij korte tijd “Président des Radios de la Seine”, en wordt hij uitgenodigd voor een receptie van de “Union des Société de Préparation aux Armes Spéciales de la Ministère de l’Air”. Johan heeft namelijk ideeën over de nauwkeurigheid van de artillerie, en daar wil men meer over horen.
Ook schrijft hij een stuk over een wateruurwerk uit Mesopotamië en heeft hij een bouwcontract uit Syrië vertaald voor een tijdschrift van aannemers.

In een brief uit 1933 vraagt Général Perrier van de “Association Internationale de Géodésie” hem te willen spreken naar aanleiding van zijn lezingen voor het “Institut de l’Histoire des Sciences”. Hij roemt daarbij Johan om zijn “Formidable oeuvre d’érudition“.

Voor het Nederlandse horlogemakerstijdschrift “Christiaan Huygens” schrijft hij in 1936 een beschouwing: “Tijdmeetkundige bespiegelingen gedurende den loop van een menschengeslacht”. Vanuit wiskundig en sterrenkundig perspectief beschrijft hij hierin de (on)nauwkeurigheid van uurwerken.

Johan is dan tevens aan het “Conservatoire National des Arts et Métiers” te Parijs benoemd tot technisch adviseur bij de Sectie Astronomie, speciaal voor de restauraties van oosterse astrolabia. Ook verleent hij medewerking aan de opzet van een Catalogus van dit Museum.
Over een van de voorwerpen die hij onderhanden krijgt, schrijft hij een “savante étude”: “l’Astéréomètre de Jeaurat“.

Ook blijft hij nog lezingen houden voor de Société Asiatique, onder meer over carthografische werkzaamheden in Syrië en verleent hij zijn medewerking aan talloze wetenschappelijke studies over oude Oosterse tijdrekening. Bekendste daarvan is een studie van Henri Massé van de Universiteit in Algiers over: “Le ‘Narouz-nâmè de Omar Khayyâm“, dat hij een uitgebreide appendix meegaf.

In 1937, Johan is dan al enige tijd uit actieve dienst ontslagen, maakt hij notities onder de titel “une projection verticale des trajectoires de mitrailleuses“. Het ministerie van oorlog schijnt hier grote belangstelling voor te hebben. Inmiddels is hij dan benoemd tot “Capitaine honoraire“. Daarna correspondendeert hij met de Generale Staf van het Région de Paris over de “Manuel de Mitrailleur de terre contre avions“. Zijn voorstellen worden door de minister gunstig ontvangen en bij de omwerking van deze handleiding zullen zijn “opmerkingen worden verwerkt”.

Intussen heeft hij ook met de genealogie van de familie Faddegon veel vooruitgang geboekt. Het onderwerp blijft in de correspondentie met Bernard regelmatig terugkeren. Naast uitwisseling van gegevens wordt er ook graag gespeculeerd, bijvoorbeeld over de oorsprong van de naam. Zijn naamgenoot (zoon van Johans broer Henri) “zou graag uit een gewichtig Fransch geslacht komen“, zelf vindt hij “van der Gon” wel mooi, zodat hij een bijpassend Hollands familiewapen op zijn huis kan aanbrengen.
Pieter Faddegon (1807-1889)Over zijn oud-oom Pieter Faddegon schrijft hij een biografie. Deze had in 1848 als eerste plannen gepubliceerd voor de drooglegging van de Zuiderzee. Johan’s vader was nog in het bezit geweest van een groot aantal brieven die deze Pieter vanuit Zuid-Afrika aan zijn familie in Nederland had geschreven. Daarin beschrijft hij, hoe hij rond het midden van de 19e eeuw probeerde een door hem uitgevonden wateropvoerwerktuig “de Waterbraker” aan de man te krijgen en welke tegenslagen hij daarbij ondervond. Johan heeft de brieven teruggevonden en met het nodige aanvullend materiaal uit de genealogie rondt hij in 1938 de biografie af: “Het leven van Pieter Faddegon, horlogemaker en uitvinder (1807-1889)“. Het manuscript wordt aangeboden aan “Christiaan Huygens”, maar die wil het niet publiceren. Het verhaal gaat weliswaar over een horlogemaker, maar niet over het uurwerkmakersvak.
De biografie is in te zien op deze website op de pagina over Pieter Faddegon.
Johan maakt nog een begin met een vertaling van de biografie in het Frans, maar deze wordt niet voltooid. Het manuscript daarvan is aangetroffen op de achterzijde van een drukproef van een Arabisch-Frans woordenboek, waar hij in die tijd ook aan werkt.

Rond 1938 komt ook zijn belangrijkste werk gereed: een proefschrift over het Astrolabium en de Arabische astronomie: “Thèse au sujet de l’Astrolabe et de l’Astronomie Arabe“. Het manuscript is klaar, maar het drukken ervan zal, door de vele arabische teksten, vrij kostbaar worden. Uiteindelijk wordt Johan met een fonds van 1500 gulden van het Ministerie van Onderwijs in de gelegenheid gesteld het werk te laten drukken. De “Imprimerie Louis Jean” in Gap verzorgt een drukproef van de inhoudsopgave. Deze drukkerij bestaat nog steeds, en is inderdaad van oudsher gespecialiseerd in het drukken van bijzonder schrift. Bij een eerste drukproef is het echter gebleven, waarschijnlijk ten gevolge van de oorlog. Het volledige manuscript bevindt zich in het familie-archief.

In de brieven aan broer Bernard wordt opvallend veel aandacht besteed aan allerlei fysiek kwalen (van hemzelf, van Jeanne en van Bernard) en de medicijnen of andere remedies die daar ongetwijfeld verlichting bij zullen geven.
Daarnaast zijn er zorgen over het pensioen. Omdat Johan heel veel verschillend en onregelmatig werk heeft gehad, is dat her en der maar mondjesmaat opgebouwd. Sommige organisaties waar hij voor heeft gewerkt bestaan niet meer of hebben andere pensioenregels gekregen. Het blijkt hem veel tijd en moeite te kosten hier zijn recht in te halen. (Een P.S. van een van zijn brieven: “vandaag weer een ander wetsvoorstel, dat ook al een en ander voor mij kan wijzigen, mogelijkheid om na vijf jaar misschien weer een ander akelig klein pensioentje erbij te hebben!

Familieleden worden in de brieven soms kritisch besproken. Zo krijgt Johan een briefkaart van een neef uit Finland, waarin deze een brief belooft (“maar die komt natuurlijk niet“), wacht hij nog op een brief van Gerard, zoon van hun jongste broer, die hij enige studie-adviezen heeft gegeven (“komt natuurlijk ook niet“), en wordt van de oudste zoon van hun broer Henri opgemerkt hoe jammer het is dat die nu in de politiek zit (“en wat voor politiek!“). Over hun schoonzus Chris: “….schijnt alles van een zeer eigenaardig standpunt te bezien, waarin voortdurend de geheele maatschappij verbeterd moet worden. Zo spreekt zij van “terugkeeren naar de grond”, waarbij eerst een geheel duistere zaak van atavisme … moet uitgemaakt zijn. Mij schijnen zulke bespiegelende theorieën nogal veel teleurstellingen op te moeten leveren”.
Aardig is ook, dat we dankzij deze brieven aan de weet komen dat Johan tijdens zijn diensttijd in de eerste wereldoorlog veel paard reed, dat nu nog steeds af en toe doet, en dat Jeanne in 1938 ruim een maand bij vrienden in Gap is geweest en in de Alpen heeft geherboriseerd.

Onderscheidingen

Misschien komt het doordat Frankrijk royaal is in het toekennen van onderscheidingen, maar de verdiensten van Johan voor de Franse staat zullen zeker een belangrijke reden zijn voor het grote aantal eremedailles:

Johan Faddegon

    • 1925: benoemd tot “Officier-Interprête 1e classe” door de Geographische Dienst van het Ministerie van Oorlog
    • 20 maart 1930: “Médaille Commémorative des Opérations effectuées en Syrie et en Cilicie” op voordracht van generaal Bellot, Directeur Generaal van de Geografische Diens
    • 27 juli 1930: benoemd tot “Chevalier de la Légion d’Honneur” door de Geografische Dienst van het Ministerie van Oorlog; Johan krijgt als titel interprète-capitaine.
    • 1934: “Une médaille d’honneur d’Or de l’Éducation Physique” van het Ministère de l’Instruction Publique et des Beaux Arts
    • en tevens benoemd tot “Officier de l’Instruction Publique” door datzelfde Ministère wegens bewezen diensten aan het natuurkundig onderwijs.
    • Nadat hij eind jaren ’20 en begin ’30 bij de Geografische dienst nog een aantal keer op herhaling is geweest, wordt op 29 oktober 1934 zijn dienst in het leger beëindigd vanwege zijn leeftijd. Daarbij wordt hij benoemd tot “officier-honoraire”. Hij krijgt van het Ministerie van Oorlog het “Croix des Services Militaires Volontaires” en tevens de titel: “Interprète capitaine de Réserve État Major de l’Armée”.

eremedaille in zilver

  • 26 maart 1937: ontvangt de “Médaille d’Honneur d’Argent” van het Ministère du Travail pour “ses longs et dévoués services à l’Union Centrale des Arts Décoratifs”.

 

 

Toch wordt Johan op 20 december 1938 weer gemobiliseerd. Hij is dan inmiddels 67 jaar en lijkt daar wat van geschrokken. Maar in een brief van mei 1939 schrijft hij: “alles is nu weer, tenminste voorlopig, tot kalmte”. Op 25 november 1939 wordt Johan definitief uit het kader ontslagen. Frankrijk heeft Duitsland dan inmiddels wel de oorlog verklaard, maar tot de Duitse inval in mei 1940 was het nog rustig.

In Nederland overlijden kort na elkaar twee familieleden. Op 13 februari 1940 overlijdt zijn schoonzus Emily, de vrouw van Bernard. Vier dagen later, op 17 februari overlijdt oom Johan Laugeman, de jongste broer van zijn moeder. Het is niet bekend of Johan daarvoor nog naar Nederland heeft kunnen reizen.

Ongeluk en overlijden

Op 12 december 1940 wordt Johan om 8:00u ‘s ochtends, op weg naar de bakker, het slachtoffer van een aanrijding op Avenue de Bourg la Reine. Met de gemeentelijke ambulance wordt hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij wordt behandeld aan gezichtsverwondingen. Johan wordt tien dagen onder observatie gehouden. Jeanne dringt aan op het maken van röntgenfoto’s, maar dit wordt niet gehonoreerd. Na twee weken wordt hij uit het ziekenhuis ontslagen.
Op 28 februari is zijn toestand dermate verslechterd, dat hij opnieuw wordt opgenomen. Ook dit keer krijgt hij alleen een rust- en hittekuur en na vier weken volgt opnieuw ontslag.overlijdensacte 18 april 1941
Na lang aandringen van Jeanne laat de huisarts alsnog een röntgenfoto maken. Hij blijkt gebroken ribben en een beschadigde long te hebben. Maar zijn toestand is dan echter al zo ver achteruit gegaan, dat hij op 18 april 1941 komt te overlijden.

overlijdensbericht in Christiaan HuygensTen gevolge van de oorlog is bij de familie in Nederland nog niets bekend over Johan’s ongeval. Pas enkele weken na zijn overlijden komt dit bericht in Nederland aan. Zijn neef Gerard, die sinds kort conservator is van het Klokkenmuseum, plaatst bijgaand bericht in het vakblad “Christiaan Huygens”.

familiegraf in NozayJohan wordt begraven in Nozay, het dorpje ten zuiden van Parijs in het familiegraf waar eerder Jeanne’s moeder haar laatste rustplaats vond.

In de voorzijde van de liggende steen staat:
Famille FADDEGON-SOUETRE

en uiterst rechts in de onderste steen:
LECREUX FRERE/ PERE LACHAISE

In de grafsteen zijn, onder de bronzen plaquette, de volgende teksten uitgehouwen:

Mme Vve SOUETRE
nee Adèle GIRAUD
1847-1932

Johan FADDEGON
Chevalier
de la Legion d’Honneur
Croix de Guerre 1914-1918
1871-1941

Het verhaal gaat, dat Johan niet in een pensioenregeling zat, daar hij van geboorte geen Fransman was. Hij zou een levensverzekering hebben gekocht voor zijn vrouw, waardoor hij geen geld meer had om zijn proefschrift uit te geven. Hij kreeg ook hiervoor om dezelfde reden van de staat geen financiële bijdrage. Na zijn dood was het geld dat zijn vrouw kreeg uitgekeerd van de levensverzekering niets meer waard. Zij verkocht het huis op voorwaarde, dat ze er tot haar dood in mocht blijven wonen, en dat alles, ook de inventaris, daarna aan de eigenaar verviel.

Er was inderdaad, zo blijkt uit de brieven die Johan in de jaren ’30 aan zijn broer Bernard stuurde, sprake van gedoe rond verschillende pensioenpotjes. En dat ook Jeanne latere financiële problemen had, blijkt uit de brieven die zij naar diverse instanties stuurde. Er was echter wel degelijk een fonds voor het uitgeven van het proefschrift beschikbaar gesteld. Jeanne is er in de jaren na zijn dood nog mee bezig geweest, zij het zonder resultaat: de oorlogsjaren zullen dat sterk bemoeilijkt hebben en er zouden problemen zijn geweest met de drukker in Gap. Maar het verhaal over de voorwaarden waaronder Jeanne het huis verkocht heeft, lijkt wel te kloppen.

Wanneer Jeanne is overleden en waar zij begraven is, is tot nu toe nog niet opgehelderd. Het ziet er naar uit, dat de familie in Nederland daar niet van op de hoogte is geweest.

De nalatenschap

Johan FaddegonOver Johan’s broer Bernard, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, hebben tijdgenoten verslag gedaan, ook over de manier waarop zij hem hebben gekend en welke indruk hij op hen gemaakt heeft. Bij Johan zijn we aangewezen op hetgeen hij zelf heeft achtergelaten. Daaruit blijken in ieder geval zijn veelzijdigheid en zijn bijzondere carrière. Hij was nog lang niet klaar: zijn proefschrift was nog niet gepubliceerd, andere publicaties waren nog in bewerking en hij werkte nog aan een Arabisch-Frans woordenboek.
Hoe Johan in de dagelijkse omgang is geweest, kunnen we alleen maar naar gissen. Op de enige foto die tot nu toe gevonden is, staat hij vrolijk en een beetje ondeugend te poseren. Uit de brieven die hij (als dertiger) aan prof.Six stuurde, komt een vasthoudend en tikje eigengereid persoon naar voren, die in ieder geval aan zijn eigen werk hoge eisen stelt. De precisie van de horlogemaker, die hij ook in zijn vak als medailleur nodig had, zal hij ook hebben ingezet bij het gedetailleerd doorwerken en opstellen van catalogi in zijn periode als bibliothecaris. Later, in de brieven aan Bernard, schrijft hij over een veelheid aan onderwerpen waar hij enthousiast mee bezig is, maar ook wordt opvallend veel aandacht besteed aan fysieke kwalen. Hoewel Jeanne in haar dagboekje nog terugblikt op actieve gezamenlijke wandelingen, was er ook sprake van een zwakke gezondheid en ontstaat de indruk van een wat tobberig gemoed.
Het moet voor Jeanne een hele opgave geweest zijn Johan’s nalatenschap op een goede manier af te ronden. Zij heeft dit helemaal alleen moeten doen, door de oorlog waren alle contacten met de familie in Nederland verbroken en zelf had zij in de buurt weinigen om op terug te vallen. Zelfs over haar overlijden is in Nederland niets bekend.

Pas vele jaren later werd het huis in Bourg-la-Reine weer door familie uit Nederland bezocht. Zij hadden daar contact met het echtpaar, dat het huis van de toenmalige eigenaar had gehuurd. Veel bezittingen van Johan en Jeanne lagen nog op zolder. Delen daarvan, zoals de eerder genoemde manuscripten, zijn door hen aan de successievelijke bezoekers meegegeven. De rest, waaronder de verzameling gipsmodellen van zijn werken, waarvoor hij een speciaal kastje bezat om ze in op te bergen, is helaas verdwenen.

– Het huis.

In 1990 was het huis in Bourg la Reine eigendom van een echtpaar, waarvan de vrouw kunsthistorica was. Zij had alle decoraties die Johan en Jeanne in het pand hadden aangebracht, weer in oude luister hersteld. Een serie foto’s staat op deze pagina. Gelukkig zijn op deze manier afbeeldingen van veel fraaie details bewaard gebleven, want het ziet er op Street View van Google naar uit, dat het pand sindsdien nogal wat wijzigingen heeft ondergaan….

 

– Penningen en plaquettes.

Van Johans’ penningen en plaquettes zijn er gelukkig veel bewaard gebleven. Werken van Johan worden af en toe op internet-veilingen aangetroffen. Er is zodoende een groeiend aantal van zijn creaties in de familie-collectie verenigd, maar deze is nog verre van compleet.
Een aantal musea in Nederland èn in Frankrijk heeft werken van Johan in bezit. In het penningkabinet van het Teylers Museum in Haarlem zijn er een aantal in de vaste collectie te zien.
Soms wordt een van zijn werken in een thema-tentoonstelling opgenomen. Zo was in 1992 de Wilhelmina-penning uit 1902 te zien in het Penningkabinet te Leiden bij “100 jaar Nederlandse Penningkunst” en kreeg zijn Indië-penning begin 2019 een plaats in de penningvitrine in Teylers: “vernieuwingen in de penningkunst in het begin van de 20e eeuw” onder de titel “Elegantie en experiment”.
Van Johan’s Rembrandt-penning verscheen in 2006, ter gelegenheid van diens 400e geboortejaar, een heruitgave op de markt. En in 2008 verzorgde de Nederlandse Munt een herslag van de Inhuldigingspenning uit 1898.

De catalogus van Johan’s penningen, plaquettes en tekeningen is bereikbaar via deze link.
Een nieuwe, gecompleteerde versie komt binnenkort beschikbaar.
Daarin komt ook een overzicht van musea, die werk van Johan in hun collectie hebben en een lijst exposities, waarop werk van Johan te zien is geweest.

– Publicaties

Een overzicht van lezingen en publicaties staat in dit PDF-bestand.
Johan’s genealogische aantekeningen waren het vertrekpunt voor de studies, die uiteindelijk tot veel van de verhalen op deze website hebben geleid.
De biografie over Pieter Faddegon vormde de basis voor een artikel over “de Waterbraker”, dat in 2019 verscheen in “Molinologie”, een vakblad over molens en molenbouw. De biografie is in te zien op de pagina over Pieter Faddegon.
Het manuscript van het Proefschrift over het Astrolabium bevindt zich in het familie-archief. Een scan daarvan is als pdf-bestand op aanvraag beschikbaar.

Bronnen.

Voor de bovenstaande tekst is onder meer gebruik gemaakt van de volgende bronnen

  • Nationaal Archief: Dossier J.M.Faddegon Rijksmunt arch.nr. 2.08.94. inv.nr. 896
  • Sixcollectie Amsterdam: Brieven van J.M.Faddegon aan prof.dr.jhr.J.Six – inv.nr. 51091-000
  • idem, brieven van P.L.Tak aan Six: inv.nr. 51662-000
  • État des Services – de Monsieur l’Interprète-Capitaine honoraire Faddegon – Numéro Matricule: 2040
  • familie-archief Faddegon: dossier Johan Melchior Faddegon
  • idem: kopieën van brieven aan familie in Nederland periode 1926-1939
  • idem: kopie van een dagboekje van Jeanne Faddegon-Souêtre, bevattende afschriften van brieven aan vrienden en autoriteiten 1941-1947
  • de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag
  • en vele websites, waaronder Stadsarchief Amsterdam, Delpher en Wikipedia

Reacties of aanvullingen? Klik hier.

Terug naar overzicht biografieën.
Terug naar het hoofdmenu.