Barend Faddegon (1874-1955)

B.Faddegon

Barend (Bernard) Faddegon (1874-1955)
hoogleraar Sanskriet aan de Universiteit van Amsterdam.

Vijzelstraat 1914
 

 
Barend Faddegon werd geboren op 9 juli 1874 om 23:30u in Amsterdam als zoon van Barend Abraham Faddegon en Sophia Elisabeth Laugeman, op het adres X589 (Vijzelstraat 20). Zijn vader had daar een klokkenzaak. Ook Maria Alida Faddegon, de zus van zijn vader, woont op dit adres. Op 11 juli doet zijn vader aangifte van de geboorte, in aanwezigheid van de 68-jarige Gerrit Lageman (oudste broer van Barends grootmoeder uit de Jordaan) en Jacobus Hendricus Schuitemaker, 25 jaar, horlogemaker uit Nieuwer Amstel.
Hoewel de familie niet uitgesproken christelijk was, werd de jonge Faddegon gedoopt: in de Westerkerk op 26 juli door dominee van der Duijs jr. 

Hij was de derde in het gezin, na een drie jaar oudere broer (Johan) en een twee jaar oudere zus (Maria Alida). Zijn zus overleed in 1877 op 4-jarige leeftijd. Er volgden nog twee jongere broers (Henri en Gerard) en twee jongere zussen (Marie en Fie). Barend wordt, wellicht om naamsverwarring met zijn vader te voorkomen, Bernard genoemd.

In de familie was het gebruikelijk, dat elk van de kinderen een muziekinstrument leerde spelen. Voor hem werd dat de viool. Volgens een anekdote zou zijn muziekleraar hem hebben gezegd, dat hij verdienstelijk genoeg speelde om in een orkestje mee te doen, maar voor solist niet geschikt zou zijn. Daarop zou hij het instrument in de kist hebben gedaan en er nooit meer naar om hebben gekeken.

Vader Barend wilde graag, dat zijn zoons net als hij horlogemaker werden. Bernard zat in de werkplaats echter liever gedichtjes te schrijven op het vloeiblad van de werkbank. Zijn loopbaan zou er dan ook heel anders gaan uitzien.

Na de driejarige HBS doorliep hij de Gemeentelijke Kweekschool voor Onderwijzers aan de Nieuwe Prinsengracht. Op 18 december 1893 werd hij gekeurd voor de militie, maar vervolgens vrijgesteld wegens broederdienst. Het keuringsrapport vermeldt: 1,74m, hoog voorhoofd, grote neus, spitse kin, bruine ogen, donkerbruin haar.

Van 1893 tot 1895 was Bernard onderwijzer in Zandvoort (commentaar, genoteerd uit de mond van zijn neef – mijn vader – : “‘t Zal wel geen beste onderwijzer zijn geweest“). In deze periode was hij ook met een studie oude talen bezig, waarbij hij veel last zou hebben gehad van het lawaai van bouwwerkzaamheden bij hem voor de deur.
Doctoraal UvAOp 8 februari 1895 werd hem door de Gemeenteraad van Zandvoort eervol ontslag verleend en op 7 augustus slaagde hij voor het Staatsexamen tot toelating aan de Universiteit.
In november 1897 behaalde hij zijn kandidaats en op 13 en 16 oktober 1899, in twee gedeelten, zijn doctoraal examen Nederlandse Letteren. Hij slaagde Cum Laude.

Tijdens zijn studie raakte hij bevriend met David Wijnkoop, die later een leidende positie in de arbeidersbeweging zou krijgen. In de biografie over Wijnkoop (door A.J.Koejemans) wordt deze vriendschap beschreven:
David Wijnkoop“Wijnkoop en Faddegon hadden elkaar ontmoet bij de colleges van professor Uhlenbeck, die op beiden grote indruk maakten. Een hechte vriendschap verbond hen aldra, al vormde de lange, verstrooide Faddegon met de kleine, steeds fel-attente Wijnkoop een wonderlijk span. Zij vulden elkaar blijkbaar ook op ander gebied aan: Wijnkoop werd Faddegons repetitor voor geschiedenis, terwijl Faddegon op zijn beurt Wijnkoop germanistiek repeteerde. Andere vrienden voegden zich bij hen (…). Tezamen vormden zij een bent, die een levendig aandeel nam in de sterk democratische beweging die toen onder de studenten in opkomst was en waarin socialistische zienswijzen zich al sterker op de voorgrond drongen.” Onderling werd ook fel gediscussieerd. “Aanvankelijk werd er nogal gedweept met Frederik van Eeden, van wie Faddegon vooral een bewonderaar was (…), juist weer omdat hier de daad zich paarde aan het woord.”

Interessant is de brief, die Bernard in 1946, vijf jaar na het overlijden van zijn oude vriend, ter nagedachtenis schreef aan diens weduwe (een transcriptie is te lezen via deze link). Deze brief werd, met vele andere brieven van Bernard aan David, aangetroffen in het archief van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam. Bernard had David attent gemaakt op literatuur die hem zou hebben geïnspireerd tot diens politieke loopbaan. “Hij heeft wel eens gezegd, dat ik een socialist van hem gemaakt heb, wat nogal paradoxaal klinkt, daar ik zelf een weifelende taalgeleerde en filoloog ben geworden”.

Dat Bernard verdere ambities had, bleek uit het feit, dat hij een paar weken nadat hij zijn doctoraal-bul had ontvangen, aan Prof.J. te Winkel schriftelijk verzocht voor hem te onderzoeken of het mogelijk was een studiebeurs te krijgen. Of dat ook is gelukt, is nog niet duidelijk. Wel staat vast, dat Bernard als privaatdocent oude talen de kost verdiende.
Hoewel hij van januari 1900 tot september 1902 ingeschreven was bij de Burgerlijke Stand in Naarden (nadere adresgegevens ontbreken nog), was hij in deze periode toch zeer actief in Amsterdam. De studenten werden in deze periode tot het socialisme aangetrokken. Bernard maakte, evenals David Wijnkoop, gedurende enkele maanden deel uit van de redactie van “Propria Cures”: David van februari tot november 1900, Bernard van september 1900 tot maart 1901. David moest zijn redacteurschap opgeven na een wat al te kritisch stukje over de verloving van Koningin Wilhelmina.
Propria Cures 1900-1901In deze periode leverde Bernard meerdere bijdragen aan Propria Cures, die een indruk geven van het studentenleven in die tijd, maar ook van de wijze waarop Bernard dit beleefde. Vooral het feit, dat er geen uitwisseling van kennis en ideeën plaatsvond tussen studenten van de verschillende faculteiten was een reden om zich actief te bemoeien met de organisatie van het academisch onderwijs. De hegemonie binnen de PC-redactie van het vooral op de gezelligheid gerichte Corps werd met succes bestreden.
Een overzicht van zijn artikelen is toegevoegd aan de literatuurlijst, waarin zijn grote productie aan artikelen, boeken, ingezonden stukken en gedichten met betrekking tot de vele aspecten van zijn wetenschappelijke en literaire leven is opgenomen. Zie voor de meer dan 100 titels die tot nu toe gevonden zijn, de lijst onderaan deze pagina.

Teruggevonden mijlpalen in de archieven van de Universiteit van Amsterdam uit de periode 1901-1902: Bernard doet tentamens in Antieke Kunstgeschiedenis en in Griekse Antiquiteiten en is een actief lid van de Amsterdamse Studenten Debating Club. Interessant is ook een bericht in het Handelsblad van 21 december 1900, waarin wordt gemeld dat bij het bezoek van de Zuid-Afrikaanse president Kruger een aantal studenten, waaronder Faddegon, hem in het openbaar een hulde hebben gebracht.

Van september 1902 tot juli 1904 woonde Bernard weer in het ouderlijk huis in de Vijzelstraat. Daarna vertrok hij naar Londen, waarschijnlijk voor zijn studie, maar details hierover ontbreken nog.
Wel meldt hij op de dag na aankomst aan zijn vriend David Wijnkoop: “Ik zit hier als een kat in een vreemd pakhuis“.

Op 5 september 1905 kwam hij weer terug in Amsterdam, nu op het Singel nummer 463, waarheen zijn ouders kort daarvoor waren verhuisd.

Voor zijn PhD ging Bernard naar de Universiteit van Leiden, waar hij op 9 juli 1906 promoveerde (cum laude) met het proefschrift “Çamkara’s Gitãbhãsya toegelicht en beoordeeld“. Promotor was prof. Jacob Samuel Speyer.

In augustus schreef hij aan Wijnkoop: “dat ik sinds eenige weken geëngageerd ben. Mijn meisje is een Engelse, haar naam Emily Keene. Ik hoop, dat je ons binnenkort eens komt opzoeken.”, maar ook: “zou je me f.25,- willen lenen, je kunt het ook aan mijn vader afgeven”.  De (wederzijdse) verzoeken om de ander geld te lenen, en de moeilijkheden om deze schulden weer af te lossen, zouden nog vele jaren terugkeren in hun correspondentie.

Bernard adverteerde als leraar Latijn en Grieks voor het Staatsexamen en was (tot eind 1909) bestuurslid van de “Vereeniging voor Wijsbegeerte”, waarvoor hij ook een cursus zou geven onder de titel “Hegel’s beschouwingen over Aristotelische Logica”.  Ook aan het in vanaf maart 1907 verschijnende “Tijdschrift voor Wijsbegeerte” zegde hij zijn medewerking toe.

Op 26 mei 1907 werd dr.B.Faddegon aangesteld aan de Universiteit van Amsterdam als privaatdocent Indische Cultuurgeschiedenis. Zijn oratie, op 31 januari 1908 had als titel: “Het stelsel van Kapila”.
In het archief van de UvA werd een brief aangetroffen van de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte aan het Curatorium met een uitgebreide en lovende voordracht om Faddegon te benoemen tot lector Sanskrit. Dit lectoraat ging inderdaad in per september 1908, jaarwedde: f.1000,-.

Op 25 juni 1908 huwde Bernard te Amsterdam, bijna 34 jaar oud, met de drie jaar oudere Emily Keene uit Oxford. Emily gaf Engelse lessen aan huis, onder andere bij de familie Faddegon. Een paar weken eerder lieten zij hun testamenten opmaken bij notaris B.H.Schultz. Emily woonde op de Marnixstraat 417, Bernard is dan ingeschreven op het adres Singel 463, waar zijn vader en zijn jongste broer een horlogemakers fourniturenhandel zijn begonnen. Na hun huwelijk betrekken zij een bovenhuis in de Nicolaas Maesstraat 12, ruim een jaar later wordt verhuisd naar nummer 56, aan de andere kant van de van Baerlestraat.

spraakoefeningPublikaties van Bernard uit deze tijd handelen vooral over onderwerpen op het gebied van de fonetiek: “alterneerende medeklinkers in het Indogermaansch“, “Phonétique des dialectes Basques“, “het medeklinkerstelsel van het Noord-Bevelandsch“. Hieruit blijken wel zijn omvangrijke taalbeheersing en grote taalgevoeligheid. Het verhaal gaat, dat Bernard in Amsterdam op straat aan de uitspraak van de klinkers kon horen uit welk deel van de stad de spreker afkomstig zou zijn. Ook voor hemzelf was de uitspraak van de klinkers aan de orde: hij wilde zijn Amsterdamse accent kwijt en daartoe ontwierp hij een aantal oefeningen. Deze zouden later ook voor training van het winkelpersoneel van de Bijenkorf worden gebruikt.
Ook verdiepte hij zich verder in de psychologie en de wijsbegeerte. In de periode 1908-1909 werkte hij mee aan de vertaling van Immanuel Kant’s “Kritiek der zuivere rede“.

Financieel hebben ze het niet breed. Op een verzoek van Wijnkoop schrijft Bernard hem in april 1910: “Wij kunnen je helaas niet aan f.150,- helpen. Mijn vrouw geeft 5 à 6 uur per dag les om mij in de gelegenheid te stellen om te kunnen studeren”. lessen
Zijn inkomsten uit het lectoraat worden ook nog steeds aangevuld met inkomsten uit privé-lessen, getuige advertenties uit 1912 en 1913.
Toch wordt zijn verdienste voor de Universiteit wel onderkend: najaar 1912 verzoekt de faculteit Letteren en Wijsbegeerte aan het Curatorium, in een zeer lovende brief, Faddegon’s bezoldiging te verhogen van f.1000,- naar f.2000,-. Welke verhoging uiteindelijk is toegekend is niet duidelijk, maar zijn jaarwedde wordt in 1913 inderdaad opnieuw vastgesteld.

Naast een voortdurende stroom aan wetenschappelijke publicaties blijft Bernard gedichten schrijven. In “de Telegraaf” verschijnen een paar van zijn “puntdichten” en uit correspondentie met Albert Verwey blijkt, dat hij deze herhaaldelijk gedichten toezendt voor het tijdschrift “de Beweging”.
Ook in maatschappelijk opzicht laat hij van zich horen. De Telegraaf publiceert in januari 1916 een artikel van zijn hand over “De Duitsche invloed in de Nederlandsche wetenschap”.

Bernard en EmilyVanaf 25 april 1916 staat het paar ingeschreven op de Kampweg in de gemeente Doorn. Ongetwijfeld een rustiger plek om te studeren en te schrijven, maar gezien de vele verplichtingen in Amsterdam zal dat zeker in die jaren veel extra reistijd hebben gekost.
Naast zijn colleges en andere lezingen verzorgde hij in 1917 een open cursus aan de dan net opgerichte Internationale School voor Wijsbegeerte (“De Brahmaansche stelsels van wijsbegeerte en hun onderlinge samenhang”) en werkte hij aan zijn omvangrijke studie over “The Vaiçeska-system”.
De faculteit doet inmiddels het voorstel hem “...te benoemen als buitengewoon hoogleraar Sanskriet en Vergelijkende Indo-europeesche Grammatica op eene jaarwedde van minstens f.4000,-” De correspondentie daarover binnen de Universiteit neemt een periode van bijna twee jaar in beslag.
1919.10.06 redeBegin 1919 schrijft Bernard nog aan Wijnkoop, dat hij niet in staat is een lening terug te betalen: “Mijn salaris is nu f.2200,- per jaar“, maar een paar maanden later meldt hij: “…mijn verplichtingen binnen niet al te lange tijd te voldoen”. Zijn boek: “The Vaiçeska-system, described with the help of the oldest texts“, dat tot op heden nog steeds in veel publicaties geciteerd wordt, is inmiddels verschenen en wordt goed ontvangen. En in juni krijgt hij het bericht, dat hij per 1 oktober wordt benoemd tot buitengewoon hoogleraar. Op 6 oktober 1919 houdt hij zijn inaugurele rede met als titel: “Het sprookje van den verliefden grammaticus in verband met de vragen der taalwetenschap”.

van Eeden in 1920Uit de dagboeken van Frederik van Eeden blijkt, dat Bernard eind 1920/ begin 1921 korte tijd lid was van het “internationaal Instituut voor Wijsbegeerte”, een kleine gespreksgroep waar behalve van Eeden ook onder meer prof. Mannoury deel uitmaakte. Ook woonde van Eeden een lezing van Bernard bij  over “Het menschelijke en het eeuwige woord volgens de oude Indische wijsbegeerte”.  De tekst van deze lezing werd gepubliceerd in “de Nieuwe Gids”. 

Het Nieuws 1918Over het verblijf in Doorn (vanaf 1916) is nog weinig bekend. De afstand tot Amsterdam, waar Bernard toch af en toe aan een Universiteit zal moeten zijn, is kennelijk ook in de moeilijke laatste jaren van de oorlog niet bezwaarlijk. Ook in Doorn adverteert Bernard met privé-lessen Grieks en Latijn.
 In een regionale krant werd een aardig bericht aangetroffen, waarin melding wordt gemaakt van een “allerliefste uitvoering” van “Kaboutertjes-Markt” en “Asschepoester”. Barend en Emily hebben hier de tekst en muziek voor verzorgd.

Financieel blijft het behelpen, getuige een briefje (sept.1920) aan zijn vriend Wijnkoop, waarin hij hem om raad vraagt wat te doen aan zijn, vergeleken met collega-hoogleraren, minimale salaris van f.5000,-. Kennelijk heeft dat succes, want drie maanden later bedankt hij voor de goede raad, die hem duizend gulden per jaar meer bezorgde. Als dank stuurt hij Wijnkoop een vers (welk vers dat is geweest, is helaas niet achterhaald).

In juli 1922 keren Bernard en Emily weer terug naar Amsterdam, eerst naar de Valeriusstraat 178 huis, een jaar later naar de Lomanstraat 60 huis.

Eerder dat jaar werd Prof.dr.B.Faddegon benoemd tot lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Later volgt nog een benoeming tot Honory Member van de International Academy of Indian Culture te Lahore.

Begin jaren ’20 worden door de tekenaar/schilder Louis Jacques Goudman portretten geschilderd van Bernard en Emily. Het portret van Bernard is gedateerd 1924 en is in het bezit van de Universiteit van Amsterdam. Het werd in 1955 door mej.S.Pos aan de Universiteit geschonken.
Het portret van Emily met de harp is in bezit van de familie en dateert uit dezelfde periode. Volgens opgave van een schoonzus van de schilder moet er nog een portret van Emily zijn, waarop zij zonder instrument is afgebeeld.

Emily Keene          B.Faddegon
    Emily Keene – portret Goudman             prof.B.Faddegon 1924 – portret Goudman

Naast de nog steeds omvangrijke reeks publikaties op wetenschappelijk gebied verschijnen er van de hand van Bernard in “de Nieuwe Gids” behalve artikelen nu ook steeds meer gedichten. In het archief van het Literatuurmuseum te Den Haag is een map met handschriften aangetroffen van circa 60 gedichten over velerlei onderwerpen, zowel met betrekking tot maatschappelijke ontwikkelingen als ook over vrienden en privé-beslommeringen. Ook de bovenstaande portretten inspireerden hem tot een drietal sonnetten, waarvan de manuscripten te zien zijn via deze link.

de TaalUit 1924 dateert het werkje: “de Taal – Een Academische Les en Sonnetten-Cyclus”. Exacte datum en plaats waar deze les zou hebben plaatsgevonden is nog niet achterhaald. Of de professor daar inderdaad alle zestien in het boekje opgenomen sonnetten heeft voorgedragen, blijft de vraag. Interessant is een commentaar van Menno ter Braak in Propria Cures van 18 augustus 1925, dat eindigt met: “De diepte der taal zal Prof. Faddegon zonder twijfel beter elders onthullen dan in het sonnet“. Voor wie daarover zelf wil oordelen: aanklikken van de afbeelding opent het boekje als pdf-bestand.

 In 1926-27 verbleven Bernard en Emily in Cambrigde (USA), waar hij als “Visiting Lecturer” doceerde aan de Harvard University, als tijdelijk vervanging van de Sanskrit-geleerde Prof. C.R.  Lanman.
 
B.Faddegon In juli 1927 is hij kennelijk weer in Nederland, want het Algemeen Handelsblad meldt dat de jaarwedde en pensioengrondslag van de buitengewoon hoogleeraar dr.B.Faddegon met ingang van 1 januari 1928 is vastgesteld op f.8000,-.

In september 1927 komen Bernard en Emily terug in hun oude wijk in Amsterdam, nu in een bovenhuis Emmastraat 24, waarschijnlijk zijn ze daar inwonend bij een weduwe. Maart 1929 verhuizen ze naar een benedenwoning in de Alex Boerstraat 7, om de hoek bij het Concertgebouw, om 5 jaar later weer een straat verder in de van Breestraat 10 te gaan wonen.

Willem Kloos en Hein BoekenDe stroom wetenschappelijke publicaties gaat onverminderd door. Ondertussen neemt de aandacht voor de poëzie verder toe. In “De Nieuwe Gids”, die onder redactie staat van Willem Kloos, worden er een aantal gepubliceerd. Aan zijn vriend Hein Boeken draagt hij een aantal sonnetten persoonlijk op, waarvan er een is te lezen via deze link. In oktober 1928 schrijft Boeken aan Bernard: “Waarde vriend” en dankt hem voor het sonnet, “waarin ge zulk een grootsch beeld optoovert om uwe waardering van mijn werk uit te drukken“. Daarbij stuurde Boeken drie sonnetten van eigen hand mee, doch deze zijn helaas niet meer aangetroffen. 

In een brief van juni 1931 verzoekt het “Fonds ten behoeve van Indologische Studiën” aan de Rijksuniversiteit te Utrecht op de door het vertrek van Prof. Caland ontstane vacature een ervaren Sanskritist aan te wijzen. De Curatoren van die Universiteit doen vervolgens aan het Ministerie van Onderwijs de aanbeveling, Prof. Faddegon te benoemen. Wat Bernard hier zelf van vond is niet bekend, maar hij zal Amsterdam niet verlaten. Hij wordt aan de UvA herbenoemd als Buitengewoon hoogleraar Sanskrit, vergelijkende Indo-europese taalwetenschap en algemene taalwetenschap. Zijn leeropdracht is daarmee dus nogal uitgebreid.

1932 Gîta-GôwindaIn 1931 verzorgt Bernard een vertaling in Nederlandse verzen van de Gîta-Gôwinda. Commentaar van Hein Boeken: “Ik geloof dat gij een meester in de rijmkunst zijt, dat je met je Gîta Gôwinda een meesterstuk hebt gewrocht”. Een jaar later verschijnt zijn “Djajadêwa, een drama in twee deelen”. Volgens zeggen in de familie zou dit stuk autobiografisch van aard zijn. Ruim vijftien jaar later zou hij dit werk, geheel herzien, nogmaals uitgeven. Bij een aantal passages ervan heeft Emily muziek gecomponeerd. Onlangs is hiervan een manuscript teruggevonden: het gaat om een drietal solo’s en een duet, geschreven voor fluit en harp.
 
de VinkjesOok een aantal van Bernard’s gedichten wordt door Emily op muziek gezet. Van het gedicht “de Vinkjes” verschijnen een Nederlandse en een Engelse versie bij de uitgever van bladmuziek Broekmans en van Poppel, evenals de uit vier deeltjes bestaande “Lente-trioletten” uit 1919. Uit de familie-geschiedenis is niet bekend of en waar deze composities destijds zijn uitgevoerd. Maar begin 21e eeuw werd door muziek-minnende familieleden een tweetal uitvoeringen verzorgd, de eerste in Nieuw-Zeeland, de tweede in Delft.
Het Nederlands Muziek Instituut in Den Haag blijkt in het bezit van alle composities die van Emily in druk zijn verschenen. Van vier daarvan zijn de teksten geschreven door Bernard. Naast de twee bovengenoemde zijn dat “Fairy Fun/ Ochtendzon” en “The Warbler/ Bekje-Wijd”.

Veel van de teruggevonden brieven dateren uit eind jaren ’20 en de jaren ’30. Een tiental brieven is afkomstig van zijn broer Johan in Parijs, waarin deze onder meer verslag doet van zijn vorderingen in het bouwen van zijn eigen huis en later over de moeilijkheden die hij ondervindt bij het verkrijgen van een goede pensioenregeling.  Ook is Johan is begonnen met het opstellen van een genealogie van de familie Faddegon, waarbij Bernard vanuit Nederland behulpzaam is.
De brieven die Bernard verzond aan Willem Kloos zijn teruggevonden in het archief van het Literatuurmuseum in Den Haag. Pas in 1935 zal een eerste ontmoeting plaatsvinden tussen hen beiden. In De Nieuwe Gids van 1935 verschijnt het sonnet: “Aan Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel opgedragen ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van Den Nieuwe Gids en hun beider bevordering tot doctoren in de letteren en wijsbegeerte door den senaat der Universiteit van Amsterdam op 27 mei 1935”. Te lezen via deze link.

Bernard blijkt zich zeer bewust van “het gevaar van de opkomende vervlakking en verruwing van het geestelijk en maatschappelijk leven“, hetgeen zich inmiddels ook in Nederland uit in fascisme en nationaalsocialisme. Hij is dan ook een van de ondertekenaars van de beginselen die door het Comité van Waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische intellectuelen in november 1936 worden uitgedragen. De vrijheid van onderzoek en meningsuiting is in gevaar! Voorzitter van het comité is prof.dr.H.J.Pos.

In februari 1937 verzoekt Bernard de Curatoren van de Universiteit hem van het onderdeel “ATW” (Algemene Taalwetenschappen) in zijn leeropdracht te ontheffen.  Wat zijn achterliggende redenen hiervoor geweest kunnen zijn, is nog niet achterhaald: misschien vindt hij het tijd geworden zich enigszins te beperken. Ook zijn gezondheid kan een rol hebben gespeeld: uit correspondentie met zijn broer Johan valt op te maken, dat Bernard bang is doof te worden.
Er gaat meer dan een jaar overheen voordat over Bernards verzoek een besluit valt: pas in augustus 1938 wordt hij van het onderdeel ATW ontheven en wordt prof.Faddegon (her)benoemd tot Buitengewoon Hoogleraar “Sanskrit en de vergelijkende Indogermaansche taalwetenschap”.

In 1939 verhuizen Bernard en Emily naar Lunteren, Boschrand 3.

 
Graf EmilyEmily  Emily overlijdt, zoals blijkt uit een telegram van Bernard aan zijn broer in Frankrijk, zeer onverwachts, in het ziekenhuis in Arnhem op 12 februari 1940, op 69-jarige leeftijd. Emily wordt op 16 februari begraven in Amsterdam op de Oosterbegraafplaats.

 

 

 

zomer 1942 - met tante To
Op 21 oktober 1941 huwt Bernard met de dan 50-jarige Catharina (To) Pos, door de familie liefkozend “tante Pos” genoemd. Zij is dan reeds enige tijd als huishoudster ingeschreven op “Zonnegaarde”, zoals het huis op Boschrand 3 heet. Waarschijnlijk kennen To en Bernard elkaar via Bernards collega Henk Pos, een neef van To.
Uit de collectie van de familie Pos komt een foto uit 1942, waar Bernard en To op het terras zitten met To’s nichtje en achterneef.
 

Op 5 november 1942 vindt in Velsen de crematie plaats van Bernards neefje Herman, de jongste broer van mijn vader, die op zijn 14e jaar overleed. De toespraak die Bernard daar hield, verscheen ook in druk en is zodoende bewaard gebleven en is in te zien via deze link.

Op 10 mei 1944 wordt professor Faddegon eervol ontslag verleend in verband met het bereiken van de 70-jarige leeftijd en op 18 september gaat hij met emeritaat. Over zijn opvolging is nog veel te doen geweest. In het Nationaal Archief werd een uitgebreide briefwisseling aangetroffen, waaraan ook Bernard nog tot eind 1946 bijdragen leverde. Pas in 1949 wordt dr. Adriaan Scharpé als zijn opvolger benoemd.

Eind 1944 werden zijn neef Co Faddegon, zoon van zijn jongste broer, met vrouw Wil en twee kleine kinderen gedurende een aantal maanden bij hem in huis ondergebracht. Ten gevolge van de oorlogshandelingen waren zij uit Arnhem geëvacueerd. De dan 5 jaar oude Marijke herinnerde zich nog de moeilijke omgang met haar oud-oom en tante: zo zou de gasten nogal wat beperkingen zijn opgelegd  en was er een kelder vol gehamsterde levensmiddelen waar maar mondjesmaat uit mocht worden geput.

B.FaddegonIn 1945 schilderde Johannes Jan Weiland Bernards portret, dat in 1981 door een achterneef aan de Universiteit van Amsterdam werd geschonken. Het maakte in 1989-1990 deel uit van de tentoonstelling “Toppers van Toen” in het Universiteitsmuseum De Agnietenkapel. Het opschrift (in het Latijn) vermeldt:
op zijn 71e jaar, het jaar van het herstel van de vrijheid 1945“.
Bernard is afgebeeld met de hand aan zijn oor: hij is dan al geruime tijd zeer slechthorend.
 
Dannenborgh LunterenOktober 1946 verhuizen Bernard en To naar huis Dannenborgh in de Dorpsstraat 8 te Lunteren. Tot begin 2019 was dit nog steeds een woon-zorgcentrum.

Samen met To werkt hij opnieuw aan “Djajadêwa”, waarvan de tweede, gewijzigde druk in 1947 verschijnt. Hoewel hij in het voorwoord al het nodige zegt over de psychologische achtergrond van het verhaal, schrijft hij, na uitvoerige correspondentie met zijn oud-collega prof.Donkersloot, alsnog een afzonderlijke bijlage over de psychologie bij Djajadewa. Een groot deel van de kosten van de uitgave (waaronder vele present-exemplaren) komen uiteindelijk voor rekening van de auteur. Nadat Bernard herhaaldelijk heeft verzocht zijn werk te recenseren, publiceert het Algemeen Handelsblad uiteindelijk in 1950 een kritische doch vriendelijke bespreking van dit werk door Simon Vestdijk.

 
In juni 1948 verzoekt Bernard aan het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, te worden toegelaten in de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit te Leiden als privaatdocent in de Geschiedenis der Indische Wijsbegeerte. De faculteit vraagt aan het Curatorium van de Universiteit hierin “met de meeste nadruk gunstig te adviseren”, hetgeen in een tweede brief wordt aangevuld met de mededeling, dat Prof. Faddegon een erkende autoriteit is op dat vakgebied. Op 5 augustus wordt Bernard door het Ministerie toegelaten als privaatdocent “tot wederopzegging”.

Juli 1949 verhuizen Bernard en To naar Velp (Ringallee 67).

De gezondheid zal Bernard steeds meer parten gaan spelen; behalve zijn gehoor, dat al jaren slecht is, krijgt hij ook problemen met zijn ogen. En in juli 1949 schrijft hij aan Donkersloot: “Binnen enkele dagen zal ik voor mijn te grote prostaat onder het mes moeten. Mijn medische vrienden geven mij alle mogelijke geruststellende verzekeringen. Dit neemt niet weg, dat ik bij wijze van hypothese voor het ogenblik een ongunstige afloop aanneem”.
In januari 1950 doet Bernard een verzoek aan het Ministerie, hem na afloop van de thans lopende cursus aan de Universiteit van Leiden, te ontheffen van zijn privaatdocentschap.

April 1950 wordt weer verhuisd; nu wordt een appartement betrokken in Kasteel Rozendael.

Hoewel er in deze tijd nog publikaties verschijnen, zijn dit vooral uitgaven van lezingen uit vorige jaren. Zo verschijnt in 1951 de tekst van de lezing die hij in 1948 hield voor de KNAW. In een PS excuseert hij zich voor het feit, dat het typwerk hem door ernstige ziekte meer dan twee jaar had gekost.
Toch heeft hij zich nog laten overhalen als erelid een bijdrage te leveren aan een uitgave van Propria Cures, waarvan hij een halve eeuw eerder deel uitmaakte van de redeactie. Onder de titel “Buitenkerkelijkheid en Humanisme” kijkt hij terug op de invloed van zijn vader: “Als student trad ik aanvankelijk in het voetspoor van mijn vader en ik geloofde in de vrijdenkersbeweging van de Dageraad”. Hij voelt zicht inmiddels meer aangetrokken tot de “niet-aanvallende houding” van de Humanistische beweging en wenst de tot zijn spijt nogal ingezakte Humanistische Studenten-Vereniging: “een krachtig innerlijk en uiterlijk leven!

1950- zilveren bruiloft Gerard PosDe laatste foto die van Bernard is gevonden dateert uit 1950, ter gelegenheid van een bijeenkomst van zijn schoonfamilie.

Uit Bernards correspondentie blijkt, dat er een kommervolle tijd is aangebroken: in een brief aan collega Donkersloot beschrijft hij de netelige financiële situatie, waar hij als emeritus hoogleraar in terecht is gekomen, mede als gevolg van hoge medische kosten. Aan Henriëtte Mooij verontschuldigt hij zich haar brieven nauwelijks te kunnen beantwoorden, daar zijn “hersens zijn overladen met narcotica”.
Januari 1952 wordt nogmaals verhuisd; Rozendaalselaan 32 in Velp is het nieuwe -en laatste- adres.

Ook Bernards gezichtsvermogen gaat steeds verder achteruit. In 1952 geeft hij desondanks nog een tweetal lezingen voor de Arnhemse afdeling van het Humanistisch Verbond, waarvan de eerste onder de titel: “Oud-Indische Mystiek” in 1958 (posthuum) in druk zal verschijnen.
In de verzen, die in de omvangrijke map manuscripten in het Literatuurmuseum worden bewaard, beschrijft Bernard zijn fysieke achteruitgang, de naderende dood en zijn grote liefde voor zijn echtgenote. De verzen “klacht” en “ouderdom” zijn met deze link in te zien.

Als hij zelf niet meer tot schrijven in staat is, dicteert hij zijn brieven aan To. Uit een brief van haar hand die zij, najaar 1954 namens Bernard aan prof. Donkersloot schrijft: “Hij heeft sinds enige maanden een hikziekte gepaard met slapeloosheid, waarvoor de huisarts hem behandelt. Verder heeft hij sinds vier weken een oogaandoening, die hem het lezen en schrijven onmogelijk maakt. Mocht U bij uw plan blijven, hem a.s. Zondag te bezoeken, dan zal hij dat op hoge prijs stellen, maar zal U, volgens het advies van de huisarts niet langer dan hoogstens een uur mogen ontvangen, zodat het ons, tot onze spijt onmogelijk is, U uit te nodigen om een maaltijd bij ons te gebruiken. Een bezoek is hem echter dubbel en dwars welkom, omdat hij op ’t ogenblik niet weet, hoe zijn tijd te vullen, nu hij niets kan doen.”

Op 28 juni 1955 overlijdt Bernard. Hij zal “in stilte” worden gecremeerd. Een van zijn belangrijke laatste vrienden, prof.Rümke, die het woord zou voeren, moest het door ziekte laten afweten en ook zijn vriend prof.Pos was door griep geveld. Maar Bernard wilde hoe dan ook geen groots afscheid of in memoria.
Toch zal een van zijn studenten, H.E. Buiskool, een In Memoriam plaatsen in Folia Civitas. Over Bernards colleges schrijft hij: “Altijd nieuw waren deze, nooit herhalingen van stof uit voorgaande jaren. Colleges die de denker Faddegon in de eerste plaats beschouwde als lessen in kritisch denken, die echter weleens iets duisters behielden wanneer bij tijd en wijle de docent vergat dat zijn studenten zijn wijsheid misten”. (Klik hier voor de volledige tekst.)

Enkele maanden later, op 16 september, komt zijn echtgenote To door een aanrijding met een auto in de Dorpsstraat te Velp om het leven. Zij was nog druk bezig om, met hulp van enkele van zijn oud-studenten, zijn vele nagelaten geschriften te ordenen.

In 1965 publiceert de schrijfster Henriëtte Mooy een boekje met de titel “Gisteren leeft”, waarin zij herinneringen optekent aan ontmoetingen met haar tijdgenoten, waaronder ook Bernard Faddegon, Hein Boeken en Lodewijk van Deyssel. Deze liefdevol geschreven levensbeschrijving, ook van haar ontmoetingen in de laatste jaren met Bernard en To, vind je met deze link.
 
Prof.dr.B.Faddegon – door sommigen als guru vereerd, door anderen als wereldvreemde geleerde bestempeld, allen zijn het eens over zijn eruditie, waarachtigheid en vormelijke beleefdheid. Vast staat dat hij een veelomvattend oeuvre nalaat, waar ook heden ten dage met name door Sanskrit-geleerden nog op wordt teruggegrepen.
Een discipline-overstijgende veelzijdigheid wordt bij meerdere familieleden aangetroffen, de wijze waarop Bernard Faddegon deze heeft uitgedragen en op schrift heeft weten te stellen is uniek.

Het overzicht van publicaties, zoals die tot op heden zijn geïnventariseerd vind je met deze link. Een groot aantal hierin genoemde publicaties bevindt zich ook in het familie-archief. Aanvullingen zijn welkom.

 

Reacties of aanvullingen? Klik hier.

 

Terug naar overzicht biografieën.
Terug naar het hoofdmenu.