familie Faddegon-Hoogbruin in Gorkum

Horlogemakersfamilie in Gorinchem rond 1840

 

Aan deze pagina wordt nog gewerkt.

 

Willemstad rond 1800

 

Barend Faddegon werd op 2 augustus 1805 geboren in Willemstad. Zijn ouders, Pieter Faddegon en Lena Belia Leemschot waren kort daarvoor met hun hun zoontje Johannes (2 jaar oud) uit Dordrecht naar Willemstad vertrokken. Op 18 augustus werd Barend gedoopt in de Hervormde kerk.

 

 

Wijk bij Duurstede

Het gezin zou vele omzwervingen maken in armoedige omstandigheden. Zie daarvoor de pagina over Barends ouderlijk gezin. De biografie die Johan Faddegon schreef over Barends jongere broer Pieter geeft een indruk van de moeilijkheden die ook Barend in zijn jeugd zal hebben ervaren (in te zien in dit pdf-bestand).  Via onder meer Gorinchem (waar broer Pieter en zus Walburg werden geboren), Gouda (broer Leendert), Oud-Beijerland, Vlaardingen, Schiedam (waar zijn oudste broer Johannes overleed) kwam het gezin in West-Barendrecht.
De biografie over Pieter jr. vermeldt: “In 1821 verlieten zijn ouders Ridderkerk en dachten zich te Utrecht te vestigen, maar onbemiddeld als zij waren, konden zij niet slagen, terwijl zijn oudere broer [Barend] een zaak opzette in Wijk-bij-Duurstede, niettegenstaande hij onvoldoende winkelgoederen bezat, zodat het hoofdzakelijk de herstelling van uurwerken was, die in hun onderhoud moest voorzien.”

Het is een stukje geschiedenis dat nog niet helemaal is ingevuld, maar in ieder geval is duidelijk, dat Barend in 1824 op 19-jarige leeftijd zijn eigen zaak had in Wijk bij Duurstede, waar hij het vooral van reparaties moest hebben. Het vak van horlogemaker zal hij, net als zijn broers, van zijn vader hebben geleerd.  Barend werd in februari 1824 ingeschreven in het militie-register.  Vader Pieter Faddegon, die toen in Utrecht woonde, verzorgde namens hem de inschrijving. Er zijn geen aanwijzingen of Barend daadwerkelijk in de militie dienst heeft gedaan.

kaart van Gorinchem

In 1825 vestigde hij zich als horlogemaker in Gorinchem, waar hij werd ingeschreven in de Hervormde Kerk .

Op 10 november 1826 trouwde Barend op 22-jarige leeftijd met de zeven jaar oudere Alida Hoogbruin. Alida was de dochter van Abraham Hoogbruin, broodbakker te Gorinchem, en Maria Monseur, die reeds in 1808, na de geboorte van haar vijfde kind, was overleden.

 

Arkelstraat GorkumIn het bevolkingsregister van de stad Gorinchem staat vermeld, dat Barend en Alida in 1830 in de Arkelstraat woonden. Zij woonden bij (schoon-)vader Abraham in huis, evenals de 15-jarige Alida Schrader (een weeskind van Abrahams zus Margaritha). Van Abraham, dan 56 jaar oud, wordt vermeld dat hij “zonder beroep” is, kennelijk was hij toen inmiddels met de bakkerij gestopt.
 
In datzelfde jaar maakten Barend en Alida hun testamenten op en twee maanden later werd hun eerste kind geboren: Johannes Leendert. Twee jaar later volgde een tweede kind: Maria Alida.
In 1834 en 1836 werden achtereenvolgens Barend en Abraham geboren. In oktober 1837, binnen één week tijd, kwamen beide jongetjes om het leven.

Het huis waar de familie woonde in de Arkelstraat (destijds nummer 293) was eigendom van Abraham Hoogbruin. Deze verkocht het pand in 1839 aan zijn schoonzoon Barend. Dit blijkt uit de notariële aktes die in het archief in Gorinchem zijn aangetroffen en waarover later meer.
In 1840, zo blijkt uit het bevolkingsregister, woonde het gezin Arkelstraat nummer 275, maar waarschijnlijk is dit hetzelfde pand na een hernummering van de huizen. Behalve Barend en Alida en hun twee kinderen, Johannes Leendert (9j.) en Maria Alida (7j.), woonden hier ook Jannigje Gelderblom, 22 jaar, dienstbode en Pieter Jacobus Verhagen, 27 jaar, medisch dokter.  Abraham Hoogbruin was kennelijk verhuisd, want hij stond niet meer op dit adres geregistreerd. Waar de dokter praktiseerde, is nog niet achterhaald. Wellicht was hij aanwezig bij de geboorte van Barend Abraham op 30 maart 1840 om 7:00u ‘s ochtends.

Arkelpoort GorkumIn januari 1842 ging het ernstig mis. Op de 25e kwam Abraham Willem ter wereld. Het jongetje werd slechts drie dagen oud. En drie dagen daarna, op 1 februari om 6:00 uur in de ochtend, overleed zijn moeder Alida, 42 jaar oud. Alida’s oom, Willem Hoogbruin, 72 jaar en portier van de Arkelpoort, deed hiervan aangifte. Wellicht was er in het kraambed iets mis gegaan, maar de oorzaak werd in de overlijdensakte niet vermeld.
 
Volgens een familie-verhaal ging Barend, nadat hij zijn vrouw verloren had, iedere dag naar haar graf, waardoor hij een ziekte opliep waaraan hij drie jaar later, op 23 februari 1845 om 3 uur ‘s nachts, overleed. Zijn lijk zou gedurende geruime tijd warm zijn gebleven. Meerdere geneesheren uit Gorinchem kwamen bijeen om dat te bespreken.
 
Zijn drie kinderen bleven als wees achter: Johannes Leendert (14 jaar), Maria Alida (12 jaar) en Barend Abraham (4 jaar). Leendert Faddegon, de jongere broer hun vader, werd tot voogd benoemd en de kinderen werden bij hem in huis opgenomen. Leendert was acht jaar eerder gehuwd met Helena Steenbeek, had op dat moment twee kinderen van 7 en 2 jaar oud en was horlogemaker aan de Oude Gracht in Utrecht.
Henrinus Jacobus Hofstede, predikant aan de Hervormde Gemeente te Gorinchem, werd benoemd als toeziend voogd.

Interessant is de anekdote, die Barend Abraham later over zijn jeugd, die hij grotendeels in een weeshuis in Gorkum had doorgebracht, zou hebben verteld. Er zou een oom Abraham zijn geweest, die de nalatenschap moest beheren. Deze zou ook ‘s zondags in het weeshuis op bezoek zijn gekomen om hem preken voor te lezen. Toen Barend meerderjarig was, bleek de nalatenschap te zijn “opgesoupeerd”. Dit zou reden voor hem zijn geweest, zijn kinderen niet naar deze Abraham te vernoemen.
In de genealogie hebben we geen oom Abraham aangetroffen, maar misschien is hier verwarring met opa Abraham Hoogbruin, die immers in Gorinchem woonde. De oom die de nalatenschap moest beheren, was Barends jongere broer Leendert. Dat Barend Abraham in het weeshuis werd geplaatst, blijkt inderdaad uit latere aktes.

In het Regionaal Archief Gorinchem zijn notariële aktes gevonden, waarin de nalatenschap van Barend Faddegon nauwgezet is beschreven.
Allereerst werd de inventaris van het sterfhuis beschreven. Dit gebeurde in aanwezigheid van de voogd (bij wie de weeskinderen dan nog alle drie “regtens gedomicilieerd” zijn), de toeziend voogd, een deurwaarder als schatter van de roerende goederen, een horlogemaker als schatter van de klokken, horloges, pendules, gereedschappen, etc. en de dienstmeid, die moest verklaren dat er niets uit het huis verdwenen was sinds het overlijden. In totaal was men hier anderhalve dag mee bezig; de akte met de beschrijving van de inventaris beslaat 24 pagina’s. De waarde van de roerende goederen werd geschat op f 3700,- (dat zou nu ongeveer € 40.000,- zijn).
Tot de onroerende goederen behoorde het woonhuis en erven aan de oostzijde van de Arkelstraat, Wijk A nummer 375 (kadaster sectie C nr. 973), groot een roede tien ellen. Barend had dit huis zes jaar eerder van zijn schoonvader gekocht.
Tot het bezit behoorden ook twee woonhuisjes en erven met een tuin aan de westzijde van de Warmoesstraat, Wijk D nummers 265 t/m 267 (kadaster sectie D nummers 29 t/m 33). In de inboedel trof men een transportakte aan uit 1759, waaruit bleek dat deze grond, die grensde aan de stadswal en waarop toen alleen een tuinhuisje stond, werd gekocht door Reinier Monseur (dat was Barends grootvader van moeders kant). Dit onroerend goed, waarop nu dus ook een paar huisjes waren gebouwd, was recent in 1843, door Abraham Hoogbruin aan Barend verkocht.
Of de erfenis hiermee een grote omvang kreeg is nog maar de vraag, want in de akte werd tenslotte vermeld dat de “schulden en lasten des boedels” ruim f 2800,- bedroegen.
De akte besluit met de verklaring van Leendert Faddegon, dat hij de geïnventariseerde goederen in bewaring had genomen en beloofde “deze ten allen tijde te zullen opleveren”.
In september, dus vijf maanden later, vond de verkoping plaats. Tijdens de veiling, die drie dagen in beslag nam, werd de inboedel aan de meestbiedende verkocht. Hiervan werd weer minitieus verslag gedaan in een akte. Een groot aantal bieders, waaronder ook Leendert Faddegon, kwam in het bezit van de huisraad en van de inventaris van de horlogezaak. Vooral van die laatste boedel verwierf Leendert veel voor zijn eigen zaak in Utrecht. De totale opbrengst van de verkoping bedroeg f 3500,-, iets minder dus dan de eerdere schatting.

Het onroerend goed aan de Warmoesstraat kwam een jaar later, in mei 1846 aan de beurt. Via de rechtbank in Utrecht had Leendert toestemming gekregen deze bezittingen te verkopen, “teneinde uit het beloop der kooppenningen te kwijten eene hypothequaire vordering groot f 1100,- en het eventuele overschot op naam der minderjarigen te beleggen, omdat de jaarlijkse revenuen na aftrek van lasten en kosten van reparatiën onvoldoende zijn om de renten van de som te kunnen voldoen.
Op 11 mei vond in Logement de Hooiwagen aan de Kanselpoort te Gorinchem de inzetting plaats. Een buurman en een verre neef van Abraham deden nog een poging een deel van het bezit te verwerven, maar uiteindelijk werd het geheel verkocht aan een zekere Jozua Jansse, koopman te Gorinchem, voor f 750,-.

 

Haarstraat GorinchemEind 1849 overleed Abraham Hoogbruin, 76 jaar oud, in zijn woning in de Haarstraat, Wijk D nummer 182. Abraham was drie maal gehuwd geweest; zijn derde echtgenote was een jaar eerder gestorven. Alleen uit zijn eerste huwelijk met Maria Monseur had hij kinderen. Daarvan was de 53-jarige Diliana, een oudere zus van Alida, als laatste nog in leven.
De nalatenschap moest dus worden verdeeld tussen deze Diliana en de kinderen van Barend en Alida. Ook hierover zijn notariële aktes gevonden in het Regionaal Archief Gorinchem.

Burgerweeshuis GorkumOp 31 januari 1850 werd de inventaris van de woning beschreven en op waarde geschat. Behalve de eerder genoemde Diliana, haar echtgenoot en Leendert Faddegon, was hierbij ook Johannes Van Maaren aanwezig, die de regenten van het Burgerweeshuis vertegenwoordigde. Deze traden op “als voogden over den in gezegd gesticht opgenomen minderjarigen Barend Abraham Faddegon“. Leendert Faddegon trad alleen nog op als voogd over de oudste twee kinderen, die nog wel bij hem waren “gedomicilieerd”.
Waarom en wanneer de jongste, die toen bijna tien jaar oud was, in het weeshuis was geplaatst, is nog niet achterhaald. Wellicht werd het bij oom Leendert in huis te vol: tante Helena was inmiddels van haar vijfde kind in verwachting. Of de jonge Barend Abraham na het overlijden van zijn grootvader nog vaak bezoek kreeg, al dan niet om hem preken voor te lezen, is maar de vraag. Verdere familie in Gorinchem lijkt er niet meer te zijn geweest.

Het opmaken van de eenvoudige inventaris van Abraham Hoogbruin zal niet al te moeilijk zijn geweest. De totale waarde werd geschat op f 450,-; daarnaast was er voor een totaal van f 750,- aan schulden. In de akte staat vermeld, dat Leendert Faddegon verklaarde nog f 21,- van Abraham tegoed te hebben wegens huur van een bovenhuis in de Arkelstraat. Het hoe en waarom van deze verhuur is niet duidelijk. Diliana en haar echtgenoot ontkenden het bestaan van deze schuld, “daar de huur altijd in kontanten verrekend is“.
Leendert verklaarde ook, dat zijn broer Barend aan Diliana f 1000,- in kontanten had geleend, nadat zij in 1842 van tafel en bed van haar echtgenoot gescheiden was. Die schuld zou worden terugbetaald uit de nalatenschap van Abraham. De aanwezige echtgenoot verklaarde van niets te weten, en als het inderdaad zo geweest zou zijn, dan was dit zonder zijn toestemming gebeurd en dus volgens hem niet rechtsgeldig. Diliana vertelde wel voor die schuld te hebben getekend, maar die zou haar gedeeltelijk zijn kwijtgescholden.
Tot de onroerende goederen behoorde, naast het woonhuis in de Haarstraat, ook een zestal “eenvoudige graven op het voornamere gedeelte der Buitenbegraafplaats“.

De akte, waarin de verkoop van de inboedel en het roerend goed is beschreven, is nog niet teruggevonden. Wellicht dat daarin nog een aanwijzing voorkomt hoe met Leenderts aanspraken is omgegaan.

In april 1851 vond de officiële boedelscheiding plaats. Noch de voogd noch de toeziend voogd van de kinderen waren hierbij aanwezig: zij hadden vertegenwoordigers gemachtigd de zaken af te handelen. Kennelijk was er een oplossing gevonden voor Leenderts wensen, of vond hij niet langer nodig zich hiervoor in te zetten.
Het onroerend goed bleek f 2300,- te hebben opgebracht, de inboedel was verkocht voor ruim f 400,-. Daarnaast werd een lening afgelost die de laatste echtgenote van Abraham aan een zekere Arie Koopman had verstrekt, waarmee de totale baten op bijna f 3900,- kwamen. Naast de kosten van de begrafenis, de deurwaarder, notaris, etc. moest de hypotheek op de eigen woning nog worden afgelost. Na aftrek daarvan bleef er onder de erfgenamen bijna f 2740,- te verdelen (dat is in huidige waarde ca €30.000,-).
Diliana ontving hiervan de helft, twee zesde ging naar Leendert ten behoeve van Johannes Leendert en Maria Alida en één zesde, dat is f 457,- (ca €5000,-) werd door de regenten van het weeshuis geïncasseerd voor Barend Abraham. De gemachtigde van de toeziend voogd liet optekenen, dat hij verlangde dat de belegging van het geld voor de kinderen werd bijgeschreven in het Grootboek der Nationale Schuld.

De oudste van de kinderen, Johannes Leendert (Jan), zou zijn erfdeel al snel nodig hebben gehad: twee maanden nadat het geld was verdeeld, werd hij meerderjarig en vertrok hij naar Amsterdam. Daar trouwde hij en begon hij zijn eigen (horloge-)zaak. Over Johannes Leendert en zijn nakomelingen later meer….

Vier jaar later kwam ook Maria Alida naar Amsterdam, waar zij trouwde met de koopman Frederik Hendrik Eiff. In 1860 zou zij naar de Vijzelstraat verhuizen, zoals is beschreven in de webpagina een Horlogemakersfamilie in de Amsterdamse Vijzelstraat.

Barend Abraham kwam in 1860 uit Gorinchem naar Amsterdam. Hij verbleef een aantal jaren bij zijn broer Jan en vertrok vervolgens naar zijn zus Marie in de Vijzelstraat, die inmiddels weduwe was geworden.

De puzzel over de financiën is nog niet opgelost.
Zou Barend Abraham zijn erfdeel van opa Abraham Hoogbruin hebben gekregen, dat bij de regenten van het weeshuis terecht was gekomen? En waar was de nalatenschap van zijn vader gebleven? Uit de verkoop van diens inboedel was na aftrek van de schulden dan misschien niet veel overgebleven, maar wat er met het ouderlijk huis in de Arkelstraat is gebeurd, is nog niet achterhaald.
Wellicht kan in het archief in Gorinchem nog aanvullend materiaal worden gevonden.

Uit de verhalen over de familie in de Vijzelstraat blijkt wel, dat ze flinke armoede hebben gekend. Desondanks hebben Barends kinderen zich allemaal goed kunnen ontwikkelen. Zijn afkeer van de preken lijkt tot gevolg te hebben gehad, dat Barend werd aangetrokken tot de maatschappelijke beweging rond “de Dageraad” van Domela Nieuwenhuis en tot de humanistische manier van denken, iets wat hij ook aan zijn kinderen heeft meegegeven.

 

Reacties of aanvullingen? Klik hier.

Terug naar overzicht familie-geschiedenis.
Terug naar het hoofdmenu.