Johan Melchior Faddegon (1871-1941)

J.M.Faddegon
Johan Melchior Faddegon (1871-1941)
 
horlogemaker, penningkunstenaar, tolk Arabisch-Frans, bibliothecaris decoratieve kunsten, tijdmeetkundige.
 
werk in uitvoering
 
>> aan deze pagina wordt gewerkt <<

 
 
 
Johan Faddegon werd geboren op 31 oktober 1871 in Amsterdam als oudste zoon van de Amsterdamse horlogemaker Barend Abraham Faddegon en Sophia Elisabeth Laugeman op het adres Vijzelstraat 20.
 
geboorte-akte JohanZijn vader, die daar een klokkenzaak had, deed aangifte, waarbij deze zich door twee getuigen liet vergezellen: zijn schoonvader, Johan Melchior Laugeman, tapper in de Looierstraat en zijn zwager, Heinrich Barend Laugeman, slachter.
 
Vijzelstraat 1914In de jaren daarna volgen een zusje Marie (1873), broer Bernard (1874) en in 1875 weer een broertje (Henri). Begin 1877 overlijdt zijn zusje aan een hersenvliesontsteking. Johan is dan ruim 5 jaar oud. Eind van dat jaar krijgt hij weer een zus, die ook Marie heet. Het in 1879 geboren broertje wordt maar zeven maanden oud. In 1880 volgt broertje Gerard en in 1883 zijn jongste zusje Sophie. Het zal een vol huis geweest zijn, waarin Johan opgroeit. Ook tante Maria Alida, de zus van zijn vader, woont in dit pand, dat in 1882 ook nog eens ingrijpend verbouwd wordt.
 
Rijksacademie voor beeldende KunstenOfschoon Johans vader er van uitging dat alle zoons het horlogemakersvak zouden leren, werd Johan na de 5-jarige HBS op 25 september 1888 ingeschreven aan de Rijksacademie voor beeldende kunsten aan de Stadhouderskade. Gedurende zes jaar volgde hij daar de klassen in tekenen, boetseren en perspectief. Zijn ijver werd steeds als (zeer) goed beoordeeld, het oordeel over zijn aanleg varieerde door de jaren heen van “vrij goed” via “betrekkelijk” tot “uitmuntend” in het laatste jaar. Voor zover bekend heeft hij maar één schilderij gemaakt: zijn kleurenblindheid was een grote handicap. Daarom legde hij zich toe op beeldhouwen en speciaal op maken van medailles.
Biologie was ook een van zijn hobby’s; in de familie was hij bekend als “de torrenprikker”, door de ontelbare torren die hij verzamelde en alle bij naam kende.

Bij de keuring voor de militie in maart 1891 (waar van hem wordt vastgelegd: 1,75m lang; uiterlijke kenmerken: “gewoon”; ronde kin, bruine ogen, bruin haar), geeft hij op vrijgesteld te willen worden wegens “lichaamsgebreken”. Toch wordt hij op 6 mei van dat jaar 1891 ingedeeld in het 7e regiment infanterie. Twee maanden later wordt hij overgeplaatst naar het 2e regiment Vesting Artillerie, waar Johan op 25 sept 1891 tot korporaal wordt bevorderd. Een jaar later gaat hij met groot verlof en in september 1893 komt hij 5 weken op herhaling .
Ondanks deze verplichtingen blijft Johan ingeschreven aan de Academie, waar hij zijn studie in 1894 met gunstig resultaat afrond.

RijksMunt aan de NeudeInmiddels was hij, in juni 1893, ook reeds benoemd aan de Rijksmunt te Utrecht als “hulpstempelsnijder”.
 
 
Hij werd in opdracht van de Rijksmunt naar Parijs gestuurd voor verdere studie aan de Ecole des Beaux Arts. In Parijs ontmoette hij Jeanne Souêtre, met wie hij in 1896 huwde.
Volgens een familie-anecdote zou hij na terugkomst in Nederland aan de Rijksmunt opdracht hebben gekregen tot het maken van een beeltenis voor een nieuwe gulden naar een portret van H.M. de Koningin. Hij wilde deze opdracht alleen accepteren als de Koningin zelf voor hem wilde poseren. Daar dit niet toegestaan werd, deed hij het opzettelijk verkeerd en werd ontslagen.
Feit is, dat er sprake geweest is van een conflict met een van zijn meerderen, en dat hem in 1899 eervol ontslag werd verleend wegens het opheffen van de functie van hulpstempelsnijder.

Daarna vertrok hij naar Parijs, waar hij in Montrouge woonde.
Volgens briefhoofd in een brief in 1903 aan hem gericht is hij in deze tijd “statuaire” (beeldhouwer).
In 1903 en 1904 geven zijn broers Gerard Herman en Henri Christiaan Faddegon in Amsterdam een Tijdschrift voor Horlogemakers uit. Hoofdzakelijk was dit het werk van Henri, met het doel zijn studie over de raderingrijping gepubliceerd te krijgen. Ook Johan verleende vanuit Parijs zijn medewerking met diverse studies. De belangrijkste hiervan is de studie over het Planetarium van Oronce Fine in de Bibliothèque Sainte Geneviève te Parijs. Deze studie is later in een Frans horlogemakerstijdschrift verschenen.
In de jaren 1904 tot 1907 volgde hij cursussen aan de École du Louvre in “copte et hiératique, philologie en démotique”.

In 1906 wordt Johan genaturaliseerd tot Fransman. Daardoor moest hij wel in het Franse leger. Hij werd reserve-soldaat 2e klas en heeft aanvankelijk niet aktief dienst gedaan, daar hij toen de leeftijd van 27 jaar reeds had bereikt. Maar in 1911 wordt hij benoemd tot reserve-tolk (Arabisch) in het leger bij de Geografische dienst. Hij was tengevolge hiervan aanwezig bij besprekingen van hoge Syrische officieren en wist hierdoor veel geheimen, o.a. dat de kans groot was, dat Parijs gebombardeerd zou worden (in 1914). Daarom stuurde hij zijn vrouw Jeanne naar een klein dorpje ver van Parijs.

In de periode 1912-1914 was Johan als instructeur en daarna als directeur verbonden aan de Topografische Opleiding voor de Société “Sambre er Meuse” in opdracht van de Société de Topographie de France.
Van 2 aug 1914 tot 5 okt 1918 deed hij dienst in de oorlog tegen Duitsland en aansluitend tot 1 maart 1919 in de oorlog tegen Turkije, waar hij als tolk ter beschikking was gesteld van de Generale Staf van het Franse detachement van Palestina-Syrië.
Op 1 maart 1919 kreeg op zijn verzoek onbeperkt verlof te Beyrouth, waar hij op 25 maart werd gedemobiliseerd.

Johan maakte een stamboom van Duitse officieren uit de 1e wereldoorlogen kwam tot de ontdekking dat de meesten van Franse afkomst waren.

Vanaf 1921 is hij verbonden als “Bibliothécaire” aan de Union Centrale des Arts Décoratifs in het Palais du Louvre – Pavillion de Marsan, Rue de Rivoli 107 te Paris.
Volgens correspondentie van april van dit jaar werkt hij aan de “dictionnaire géographique” van Syrië. Corr. hierover gevoerd met kolonel Bellot, Direkteur van de Geografissche dienst van het Ministerie van Oorlog.
In 1922 houdt Johan voor de “Chambre des Horlogers” de France een lezing: “Tracé de Cadrans Solaires”.
Vanaf 1925 werkt hij aan een Frans-Arabische dictionnaire. In dat jaar wordt een uittreksel hiervan uitgegeven.
Door de Geographische Dienst van het Ministerie van Oorlog wordt Johan benoemd tot Officier-Interprête 1e classe.

In 1927 houdt hij een lezing voor de Société Asiatique de Paris onder de titel: “Les longueurs différentes de l’année chez Olough-Beg”.

Van 1927 tot 1933 volgt hij een stage volontaire bij de Geografische Dienst van het leger.

1929: Een lezing voor de Société Asiatique de Paris: “l’Exégèse du Coran en face de la cosmographie moderne”.

Hij correspondeert met de Turkse ambassade over het nieuwe Turkse alfabet.
Generaal Bellot van de geografische Dienst van het Ministerie van Oorlog bedankt hem voor een boekwerk uitgegeven door de Service des Antiquités de Syrie en gewijd aan de ruïnes d’El-Mishrifé, door hem geschonken aan de bibliotheek van de Geografische Dienst van het leger.
Bedankt hem in hetzelfde schrijven voor door hem geconstateerde fouten in kaarten schaal 1 : 50.000 van de Levant, die door de Geografische Dienst zijn uitgegeven.

1930: Een lezing voor de Société Asiatique de Paris een lezing samen met M. Colin en M.Eisler over: “Chiffres Arabes, chiffres Grecs et numérotation”.

Op 20 maart krijgt hij op voordracht van generaal Bellot, Directeur Generaal van de Geografische Dienst, de “Médaille Commémorative des Opérations effectuées en Syrie et en Cilicie” en op 27 juli wordt hij door de Geografische Dienst van het Ministerie van Oorlog benoemd tot “Chevalier de la Légion d’Honneur” en krijgt als titel interprète-capitaine.

Johan en Jeanne wonen inmiddels in Bourg-la-Reine, 9 Rue Georges-la-Fenestre, waar Johan zelf een huis heeft ontworpen en laten bouwen. Arabische spreuken sieren de gevel, de deur en de wanden.

Blijkens een schrijven uit 1930 wordt hij namens de Président de l’Aviation de la Seine (onderafdeling van de Union des Société de Préparation aux Armes Spéciales de la Ministère de l’Air) uitgenodigd voor een receptie.

In 1931 houdt hij een lezing voor de Office Scolaire van het Perzisch Keizerlijk Gezantschap over “l’astronomie historique de la Perse et les tables d’Ouloug-Beg” en in datzelfde jaar een lezing voor de Société Asiatique de Paris met als titel: “Que sait-on de la prononciation de l’Égyptien?”.

Uit 1933 dateert een briefwisseling met Général Perrier van de “Association Internationale de Géodésie”, onderafdeling van de Union Géodésique et Géophysique Internationale, waarin deze schrijft zeer geïnteresseerd te zijn in zijn “formidable oeuvre d’érudition”. Wil hem spreken over zijn lezingen die hij zal houden voor het Institut de l’Histoire des Sciences.

In 1934 krijgt Johan van het Ministère de l’Instruction Publique et des Beaux Arts: “Une médaille d’honneur d’Or de l’Éducation Physique”. Wordt door datzelfde Ministère wegens bewezen diensten aan het natuurkundig onderwijs benoemd tot “Officier de l’Instruction Publique”.
Is dan volgens adressering op brieven tevens: “Président des Radios de la Seine”.
Op 29 oktober 1934 wordt zijn dienst in het leger beëindigd vanwege zijn leeftijd en wordt hij benoemd tot officier-honoraire. Hij krijgt van het Ministerie van Oorlog het “Croix des Services Militaires Volontaires” en tevens de titel: “Interprète capitaine de Réserve État Major de l’Armée”.

In 1936 wordt Johan door de Directeur van het Conservatoire National des Arts et Métiers te Paris benoemd tot “Conseiller technique (section d’astronomie)”, speciaal voor restauraties van astrolabes orientaux, aan deze instelling. (Astrolabia zijn geconstrueerd met het doel de tijd te bepalen, maar het belangrijkste doel is het bepalen van de plaats).
Blijkens een brief van de Chef de Bureau van de Generale Staf van de Région de Paris wordt geadviseerd hem, gezien zijn wetenschappelijke bekwaamheid en zijn “esprit inventif” een cursus te laten volgen aan de “École de Perfectionnement de la D.C.A.”

Volgens correspondentie van de toenmalige directeur van de Conservatoire National des Arts et Métiers van februari 1937 heeft hij dan juist een “savante étude” gepubliceerd over “l’Astéréomètre de Jeaurat”. Dit is een voorwerp, dat deel uitmaakt van de collectie van voornoemd museum. Hij schijnt volgens correspondentie van dit jaar ook lezingen te hebben gehouden voor de Société Asiatique over de stand van zaken van de carthografische werkzaamheden in Syrië en verleende zijn medewerking aan talloze wetenschappelijke studies over oude Oosterse tijdrekening, o.a. een studie van Henri Massé van de Faculté des Lettres de l’Université d’Alger over: “Le ‘Narouz-nâmè’ de Omar Khayyâm” (Le livre du Nouvel An), een Extrait des Annales de l’institut d’Études Orientales, uit 1937, dat hij een uitgebreide appendix meegaf.

Kreeg op 26 maart van het Ministère du Travail de Médaille d’Honneur d’Argent pour “ses longs et dévoués services à l’Union Centrale des Arts Décoratifs”.

Uit dit jaar dateert ook een brief van kolonel Lajoindre, Directeur van de E.P.O.R., de D.C.A. en de la R.P. van het Région de Paris, over notities van Capitaine honoraire Faddegon bij “une projection verticale des trajectoires de mitrailleuses”. Het ministerie van oorlog schijnt hier grote belangstelling voor te hebben.

1938: Correspondentie met de Generale Staf van het Région de Paris over een voorstel van Capitaine Honoraire Faddegon betreffende de “Manuel de Mitrailleur de terre contre avions”. Uit de brief van de Général Commandant blijkt, dat dit voorstel door de minister gunstig is ontvangen en dat met dit voorstel tijdens de omwerking van het betreffende document rekening zal worden gehouden. Cap.hon.Faddegon wordt door de Général Commandant hiermee gefeliciteerd.

Op 20 december 1938 wordt Johan gemobiliseerd.

In 1941 komt hij bij een verkeersongeluk om het leven.

Een schrijven van de zoon van Professeur Barthilemy, die hierin verklaard dat zijn vader zeer getroffen is door het overlijden van M.Faddegon en dat des te meer, daar hij hem zeer vereerde en grote bewondering had voor zijn kennis. Er wordt in deze brief gevraagd naar de stand van zaken betreffende de dictionnaire (Arabisch?) en aangeboden dit af te maken.

Het verhaal gaat, dat Johan niet in een pensioenregeling zat, daar hij geboorte geen Fransman was. Hij zou een levensverzekering hebben gekocht voor zijn vrouw en had toen geen geld meer om zijn proefschrift uit te geven. Hij kreeg hiervoor ook van de staat geen financiële bijdrage (om dezelfde reden). Na zijn dood was het geld dat zijn vrouw kreeg uitgekeerd van de levensverzekering niets meer waard. Zij verkocht het huis op voorwaarde, dat ze er tot haar dood in mocht blijven wonen, en dat alles, ook de inventaris, daarna aan de eigenaar verviel.

 
 
Voor de catalogus van zijn penningen, plaquettes en tekeningen kun je terecht op oude website via deze link. De onderstaande vondsten moeten nog in deze catalogus worden opgenomen.
 
De website van het Rijksmuseum publiceerde afbeeldingen van gipsmodellen van de Rembrandt-penning uit 1906 uit hun collectie. Het betreft schenkingen door de dochters van Jan Six, de hoogleraar van de Kunstacademie met wie Johan voor meerdere van zijn ontwerpen nauwe contacten onderhield (de brieven die Johan daarover aan Jan Six schreef heb ik bij de Collectie Six in Amsterdam mogen kopiëren).
Onderstaand twee versies van ontwerpen voor de keerzijde van de penning. Links een eerdere studie, rechts het uiteindelijke ontwerp. Opvallend dat de schoonheid van de afbeelding vooral ontstaat door het weglaten van eerdere details.
1906 - voorstudie 11906 - voorstudie 2
.
 
 
.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
.
 
Uit dezelfde schenking komt een gipsstudie van de Indië-penning uit 19021902 - voorstudie
 .
 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
.
Andere recente ontdekkingen zijn reeds verwerkt in de catalogus en staan hieronder:
 

1910 – Pour la Patrie – Pour la Republique

1910 - Pour la Patrie -vz1910 - Pour la Patrie -az
Op eBay trof ik deze prachtige penning aan. Het kostte enige moeite hem uit de USA naar Nederland te krijgen, maar dankzij bevriende relaties is dat gelukt! De moeite alleszins waard.
 
De verkoper gaf op zijn website de volgende beschrijving:
This is a very handsome military medal, that could be for military service, or a training medal. But I think it’s more. On the front, Marianne is seated with flag, overlooking troops marching, while 2 soldiers lean against a fortification looking on. On the back there is the Gallic rooster along with soldiers’ gear, and it says, “The young soldier”. But off in the distance, is a lone figure standing on top of a battlement. Between that, and the “gilt” finish, I’m wondering if this was given to the family of a soldier that lost his life during service (?). Anyway, this is a great piece, with nice detail !
The artist’s name “FADDEGON” is along the front lower edge. Whatever its true reason for being struck, I think this is a medal not seen that often.
This fine piece is 2 1/8” across, and has “BRONZE” impressed on the edge, with a triangle (Arthus Bertrand ?)

 
Materiaal: brons – Gewicht: 65 gram – Diameter: 55 mm.
 
De naam aan wie (of ter ere van wie) de medaille in 1910 is uitgereikt: “G.Chabrolle” kan wellicht nog worden opgespoord, zodat meer duidelijkheid komt over de achtergronden ervan.
 

1902 – Louis Lagasse

louis-lagasse-75x58-ws-zilverVan de Belgische penningverzamelaar Emmanuel van Dorpe ontving ik een mail met bijgaande afbeelding.
Afmetingen: 75 x 58 mm. Waarschijnlijk zilver.
 
Lagasse in de rechtbankVan de afgebeelde persoon, Louis Lagasse, hebben we het vermoeden dat het gaat om een jurist, die in begin jaren ’30 in het nieuws was omdat hij de verdediging voerde van een moordenares. Op de afbeelding hiernaast, gemaakt in de rechtbank, lijkt deze Louis Lagasse inderdaad ongeveer 30 jaar ouder dan op de plaquette.
 
Verder gegevens ontbreken; ook over de wijze waarop de opdracht tot het maken van dit werk tot stand kwam is nog niets bekend.
Het is vrij zeker dat de letters links op de afbeelding de datum vormen in Romeinse cijfers, zij het in een wat minder gebruikelijke notatie. Alle cijfers bij elkaar opgeteld (waarbij de onderste twee resp. 500 en 1000 voorstellen) levert zo het jaartal 1902 op.

 

1904 – Philippe Louis von Hemert

Aan de catalogus is ook onderstaand werk toegevoegd.
Volgens het bijschrift is de cello-spelende man Phillippe Louis van Hemert.
1904-phillippe-louis-von-hemert-c

Zie de betreffende pagina in de catalogus voor een beschrijving.
De afbeelding werd aangetroffen op een veilingsite, helaas was de veiling reeds voorbij.

Over deze van Hemert is verder ook nog niets bekend.

 

 

 

Voor de volledige catalogus, zie de penning-pagina’s.

 

 

Terug naar overzicht biografieën.
Terug naar het hoofdmenu.