Gerard Herman Faddegon (1911-1998)


Gerard Herman (Witte) Faddegon (1911-1998)

horlogemaker, wiskundige, conservator Klokkenmuseum, actuarieel medewerker

 

 

 

Op deze pagina zal uitgebreid aandacht worden besteed aan leven en werken van mijn vader, Gerard Herman Faddegon. Van jongsaf was zijn bijnaam “de Witte”.

 

Witte werd geboren op 29 mei 1911 op het Singel 463 in Amsterdam. Zijn vader was horlogemaker en eigenaar van de aldaar gevestigde fourniturenzaak. De familie Faddegon beoefende het vak van horlogemaker reeds vele generaties.

 

 

Tijdens zijn vakopleiding in het begin van de dertiger jaren werkte hij onder meer bij Geerling in Bussum, Wiegers op de Groote Markt in Den Haag (hier studeerde hij ook wiskunde bij Prof. Shuh en Prof. Rutgers) en tenslotte bij Ter Wee op de Ceintuurbaan in Amsterdam.
In 1935 behaalde hij zijn middelbare akte wiskunde. Hij gaf les aan de nijverheidsavondscholen in Zelhem en Velp. Bij zijn broer aan huis gaf hij in Arnhem de cursus vaktheorie voor horlogemakers. Ook na de oorlog gaf hij (in Bussum en Utrecht) les op de ambachtschool.

Daarnaast werkte hij in de zaak van zijn vader (Faddegon & Krook), vanaf 1948 als vertegenwoordiger.
Na het faillisement in 1954 is hij uit de zaak gestapt en heeft hij tot z’n pensionering (in 1976) als verzekeringswiskundige gewerkt, eerst bij Centraal Beheer, later bij het GAK.
In de avonduren gaf hij bijlessen wiskunde aan vele middelbare scholieren. Het gezin kon het “extraatje” aan inkomsten dat dit opleverde goed gebruiken.

 

Witte’s grote liefde was de Stichting Museum en Archief van Tijdmeetkunde (SMAT), meest bekend onder de naam “Klokkenmuseum“, gesticht door zijn oom, Henri Christiaan Faddegon.
Vanaf 1936 werkte hij samen met de toenmalige conservator, de heer Prinsen. Na diens dood in 1939 nam hij deze taak over.

Het Museum was toen gevestigd in een tweetal zalen van het Stedelijk Museum te Amsterdam.

 

Tijdens de oorlog werd de collectie opgeslagen, en pas in 1953 werd deze weer tentoongesteld.
Door een samenwerking met het Goud- en Zilvermuseum kon daarvoor een van de kloostergangen van het Catharijneconvent in Utrecht worden benut.

Ook daar bleef hij conservator, waaraan hij het grootste deel van zijn vrije tijd besteedde. Ieder weekend was hij tenminste één dag in het Museum aanwezig. Een betaalde kracht kon men zich in die tijd helaas niet veroorloven. Hij keek met verlangen uit naar zijn pensionering, waarna hij zich volledig aan het museum zou kunnen wijden.

 

 

Een traumatische ervaring vormde dan ook zijn “ontslag” in 1968. Het Goud- en Zilvermuseum had sinds 1964 een (betaalde) conservator in dienst, die zich ook met de klokkenverzameling ging bemoeien. Hij verschafte zich toegang tot de vitrines in de klokkenzaal en ging die naar zijn eigen inzichten anders inrichten. Correspondentie die aan mijn vader was gericht, werd door hem achtergehouden en beantwoord, waarbij hij zich presenteerde als de conservator van het Klokkenmuseum. Ook na herhaaldelijke terechtwijzing van de besturen van beide Musea bleef hij daarmee doorgaan. Omdat het bruikleencontact met het Goud- en Zilvermuseum afliep, deed mijn vader nog een poging de collectie elders onder te brengen, maar dat bleek op korte termijn niet te realiseren. Toen het Goud- en Zilvermuseum vervolgens zelf een expositie op klokkengebied ging organiseren, werd wel duidelijk hoe de strijd was uitgevallen. Uiteindelijk was deze man er in geslaagd zich het conservatorschap van het Klokkenmuseum volledig toe te eigenen. De gebeurtenissen hadden grote impact op mijn vader en op ons gezin: het verlies van zijn grote passie heeft hij nooit kunnen verwerken.

 

Zijn expertise op het gebied van tijdmeting en tijdrekening bleef gelukkig niet geheel onbenut. Jarenlang verzorgde hij, samen met zijn vrouw Clazien, tientallen dia-lezingen. Op de website van Arjen Faddegon vind je de volledige verzameling dia’s waar hij voor die lezingen uit kon putten.
Hij werkte mee aan de 7e druk van de Winkler Prins: alle artikelen op het gebied van Tijdmeetkunde waren van zijn hand.
In “Chronos” verzorgde hij vertalingen van de vakwerken van Jendritzki.
In de periode 1978-1980 verscheen de “Handleiding voor de Uurwerkhersteller“. Deze artikelenserie werd voorafgegaan door de artikelen “Benamingen in het uurwerkmakersbedrijf” en “Het standaard-gereedschap van de uurwerkmaker”.
Vervolgens verscheen in de periode 1980-1981 de vertaling van “Het repareren van antieke slingeruurwerken“. Deze is in 1994 in boekvorm uitgegeven door de Stichting Vakopleiding Uurwerkmakers Faddegon (SVUF).

 

Naast een brede interesse op maatschappelijk en filosofisch gebied (tot enkele maanden voor zijn dood bezocht hij nog lezingen en conferenties van het Humanistisch Verbond, de Fryske Academy en de Internationale School voor Wijsbegeerte), bleef hij een trouw bezoeker van de vergaderingen van de Nederlandse Bond van Horlogemakers, waarvan hem in 1981 het erelidmaatschap werd toegekend.
Hoogtepunt in de laatste jaren was de door de Bond in 1996 georganiseerde reis naar Dresden en Glashütte.

 

Op 23 februari 1998 overleed hij in het Slotervaartziekenhuis te Amsterdam op 86-jarige leeftijd.

 

Reacties of aanvullingen? Klik hier.

Terug naar overzicht biografieën.
Terug naar het hoofdmenu.